Omstreeks 1600 ontstonden in de noordelijke Nederlanden de van overheidswege ingestelde tuchthuizen, waarin naast criminelen ook personen wegens wangedrag werden gedetineerd. Behoorde de eerste groep overwegend tot de zogenaamde armen, bij de tweede ging het merendeels om lieden uit de gegoede stand, die zich in een "geheime afdeling" ophielden en niet zoals de eerste groep blootgesteld waren aan bezichtiging door het publiek.
In de loop van de zeventiende eeuw vond de gegoede burgerij het tuchthuis steeds minder geschikt voor de (tijdelijke) opsluiting van hun ontspoorde familieleden. Men zocht naar een alternatief dat werd gevonden in door particulieren opgezette gesloten tehuizen. Rond 1660 moeten er in Delft reeds een aantal van deze tehuizen zijn geweest aangezien er in 1662 door het stadsbestuur een keur (verordening) werd uitgevaardigd, waarin regels waren opgenomen met betrekking tot de oprichting en het beheer van deze huizen. Er was sprake van huizen voor de detentie van quaedaerdige en harneckige persoonen die zich door tijdelijke opsluiting dienden te (ver)beteren. Later werden deze huizen dan ook verbeter- ofwel beterhuizen genoemd. De geconfineerde persoonen werden commensaelen genoemd, terwijl de eigenaar of beheerder casteleijn heette, zodat het leek alsof het bewuste familielid in een logement verbleef.
Uit het protocollenboek van de vrije heerlijkheid Koudekerk blijkt dat op 7 mei 1669 Juriaen Juriaensz Wuijst van Dirck Jacobsz Verbaen een huis met erf kocht, gelegen in de Hoogewaert op een stuk grond, groot 100 roeden (1419 m2), voor de som van 1.235 gulden. Drie jaar later, op 26 april 1672, leende genoemde Wuijst van Erasmus Cornelisz uit Leiden tien hondert gulden. Uit de akte blijkt dat hij als onderpand stelde zijn huijsinge ende erve, genaemt het beterhuijs, gelegen in de Hoogenwaert. Met behulp van de morgenboeken van het Hoogheemraadschap van Rijnland en de protocollen met de daarin genoemde belendingen kon uiteindelijk de plaats waar het beterhuis heeft gestaan (tussen Rijn en dijk, ten oosten van de huidige villa Weltevrede) worden gelokaliseerd.
Het beterhuis, dat volgens een akte uit 1734 de naam "Over-Rijn" droeg, heeft een eeuw bestaan. Nadat het een zeer goede reputatie had verworven, was het in de tweede helft van de achttiende eeuw door wanbeheer in verval geraakt en waren schout en schepenen van Koudekerk genoodzaakt tot beslaglegging over te gaan. Op 5 april 1771 werd het huis geveild en verkocht, waarna het dat jaar nog tweemaal van eigenaar wisselde. De laatste eigenaar, de eerwaarde heer Michael van der Meersch uit Hazerswoude, werd in 1772 vermeld in de Lyste van Geamoveerde Huysen vanwege het slopen van een hem toebehorend huis, ongetwijfeld het beterhuis. In 1813 verkocht de weduwe Van der Meersch het perceel aan de Koudekerkse pannenbakker Arij van Rijn.
(J. Wondergem)