De zorg voor Goudse armen en wezen werd vanaf de middeleeuwen behartigd door de Heilige Geestmeesters, gevestigd aan de Markt, later aan de Jeruzalemstraat. Gebrek aan financiën noodzaakte het stadsbestuur om na 1586 een nieuwe instelling voor armenzorg op te richten: de Aalmoezenierskamer. In 1599 verkreeg het Aalmoezeniershuis een doorgang naar de overzijde van de Patersteeg en enige kavels op het terrein waar eens het Margarethaklooster stond. De toename van het aantal weeskinderen maakte uitbreiding noodzakelijk. Nadat verschillende percelen waren aangekocht, werd in 1642 besloten tot nieuwbouw. Een schilderij van Jan Franszoon Verzijl uit 1644 toont de regenten met de bouwtekeningen. Een schouw uit 1642, waarop twee weeskinderen in hun rood-witte kleding zijn afgebeeld staat in het Farmaceutisch museum (voorheen De Moriaan), twee andere staan op het poortgebouw, met daaronder een 'gedicht' dat herinnert aan deze herbouw *.
Het aantal wezen nam voortdurend toe, in 1683 woonden er 60 jongens en 55 meisjes. Behalve de zes regenten was er een uitgebreid staf van personeel om de huishouding en wat daar verder bij kwam draaiende te houden: een binnenvader en -moeder, bakker, bakkersknecht, kleermaker, schoenmaker, schoolmeester, catechiseermeester, apotheker, chirurgijn en procureur. De Franse tijd bracht ook hier verandering teweeg. In juni 1795 werden de regenten door het nieuwe stadsbestuur ontslagen. De taak van de nieuwe regenten was zwaar. Het aantal weeskinderen steeg van 89 in 1795 tot 120 in 1801. Geldgebrek dwong de maire van de stad in 1811 tot het bevel dat alle kinderen van achttien jaar en ouder het weeshuis moesten verlaten. Er bleven er 84 over, waarvan 32 in het Heilige Geesthuis. Het gevolg was een fusie tussen beide weeshuizen die vanaf 1812 samen verder gingen onder de naam 'Verenigd Wees- en Aalmoezeniershuis'. In 1844 stelde de Hervormde gemeente voor om protestantse en rooms-katholieke kinderen te scheiden, wat werd afgewezen. De laatstgenoemden kregen zelf een weeshuis aan de Hoge Gouwe naast de St.-Jozefkerk. Daarmee daalde het aantal wezen in het oude weeshuis van 80 in 1895 tot 12 in 1945. De uniforme kleding werd in 1928 afgeschaft. In het najaar van 1939 kwamen als gevolg van de jodenvervolging 40 Duitse joodse kinderen naar het weeshuis, twee weken later gevolgd door nog eens zo'n groep. De vluchtelingen ontruimden het huis eind 1939 weer. In 1941 werd het gehele complex door de bezetter gevorderd. Na de oorlog verbleven er nog Binnenlandse Strijdkrachten. De wezen woonden in die tijd aan de Zoutmanstraat 33; in 1948 werd tot opheffing van het weeshuis besloten. De gebouwen zijn tussen 1968 en 1973 gerenoveerd, sinds 1973 bieden zij een onderkomen aan de Openbare Bibliotheek.
* 'Ons magistraat en wijzen raet met de regenten al haar eer en lof nimmermeer in 't stof verrotten zal: opdat se weer voor wezen teer zoo Gouds' als vreemde kinderen hier in Ter Gouw dit schoon gebouw doen stichten zonder minderen 1642'
Auteur: H. van Dolder - de Wit
Literatuur:
Website: