Op oude landkaarten is te zien dat tussen de dorpen Ter Aar, Nieuwveen en Zevenhoven een dorp lag met de naam Schoot.
Het dorp Schoot lag tussen de dorpen Ter Aar, Nieuwveen en
Zevenhoven en was wat betreft het aantal woningen groter dan de
laatste twee dorpen. De inwoners van Schoot hielden zich al vroeg
in de 16e eeuw bezig met het baggeren van turf. Het waren niet
alleen de inwoners van Schoot die zich met turfwinning bezig
hielden. Ook in de omliggende plaatsen werd turf gebaggerd. De
turfwinning was zo omvangrijk dat grote aantallen landerijen werden
afgegraven en omgezet in water. De situatie in Schoot was niet
anders dan die in het naastgelegen Zevenhoven en Nieuwveen.
Op de kaart van Floris Balthasars van 1615 ziet het ambacht Schoot
er nog ongeschonden uit, hoewel bekend is dat veel veenland ook
toen al had plaatsgemaakt voor grote waterplassen. De bebouwing
langs de Schoterdijk is echter nog omvangrijk, zeker in
vergelijking met Nieuwveen en Zevenhoven. Schoot werd in 1623 nog
bewoond door 92 gezinnen waarvan er slechts tien als armlastig
werden betiteld. De turfwinning was in die periode dus blijkbaar
nog volop in gang en de inwoners konden er een goed bestaan in
vinden. Nog geen zestig jaar later was dat anders. Schoot telde
toen 137 inwoners verdeeld over iets meer dan 40 woningen.
Het verval van het ambacht moet zich vanaf de tachtiger jaren van de 17e eeuw versneld hebben voortgezet. Het slagturven ging echter gewoon door, al werd de jaarlijkse opbrengst steeds kleiner. De laatste jaren werd nog gebaggerd door een handvol personen en het is wel zeker dat we hen kunnen rekenen tot de laatste bewoners van Schoot. De belangrijkste onder hen is Pieter Cornelisz Bentschup in wiens woning in Schoot het verveningskohier werd opgemaakt, voor het laatst in 1715. Schoot is wellicht tot 1720 bewoond geweest want in 1721 wordt voor het eerst gesproken over het verlaten ambacht van Schoot.
Hoewel de huizen van Schoot waren verdwenen en de inwoners waren
vertrokken, moesten de wateren en rietlanden van het ambacht
beheerd worden om er nog zoveel mogelijk inkomsten uit te halen. In
de 18de eeuw werden landen en wateren van Schoot jaarlijks verhuurd
om te vissen, riet te snijden en te slagturven. Op deze manier
brachten de verlaten landen en wateren in ieder geval nog iets op.
Schoot bleef ook op papier in stand als het ging om de
ambachtsheren en -vrouwen en de functionarissen.
Na de droogmaking van de waterplas ontstond de Nieuwkoopse
Droogmakerij. Hoewel er plannen waren om het dorp Schoot te
herbouwen, is dit uiteindelijk niet gebeurd. In enkele straatnamen
in de gemeente Liemeer is de herinnering aan het verdwenen dorp
bewaard gebleven.
Literatuur: