Lieve van Ollefen werd geboren in Amsterdam op 13 oktober 1749. Van Ollefen was een bekend broodschrijver die veel geschreven heeft in opdracht van uitgevers en boekverkopers. Hierdoor heeft hij een zeer uiteenlopende productie gehad. Zo schreef hij als poëzie bijvoorbeeld het in 1784 verschenen De wereld is geen tranendal in vier zangen. Daarin werd betoogd dat een vroom christen op aarde veel genieten mag. De Synode van Amsterdam veroordeelde het stuk als "hoogst schandelijk". Hij schreef werken met een pedagogische bedoeling en vervaardigde stukken voor het toneel, soms met een politieke strekking, zoals Het revolutionaire huishouden, in mei 1798 toen hij gevangen zat. Het handelde over de emancipatie der vrouw. Zijn bekendste werk is het met R. Bakker uitgegeven De Nederlandsche stad- en dorpbeschrijver. Hoe de werkverdeling tussen Bakker en Van Ollefen is geweest, is niet duidelijk.
Van Van Ollefen wordt gezegd dat hij een veelzijdig man was, maar iemand "bij wie de diepte gewoonlijk in de breedte verloren ging". Hij overleed in het werkhuis in zijn geboorteplaats op 16 juni 1816.
De Nederlandsche stad- en dorpbeschrijver verscheen tussen 1791 en 1811. Het werd uitgegeven door H.A. Banse in de Stilsteeg in Amsterdam. Het werk bestaat uit verschillende delen. Deel VIII beschrijft de dorpen in Rijnland. Het titelblad van dit deel vermeldt als auteur alleen Rs. Bakker. Een heruitgave van het werk verscheen in 1976 bij de Europese Bibliotheek in Zaltbommel.
De bekende ovale gravures voor De Nederlandsche stad- en dorpbeschrijver werden gemaakt door Anna Catharina Brouwer. Van haar is weinig bekend. Waarschijnlijk was zij een dochter van Cornelis Brouwer, die in Amsterdam plaatsnijder was. Hij graveerde boekillustraties, portretten en historieprenten. Anna Brouwer maakte de gravures in de periode 1793-1801. De gedichtjes onder de gravures zijn waarschijnlijk van de hand van Van Ollefen.
Bron: Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek II (Leiden 1912) 257, 259; en VIII (Leiden 1930) 1236.
Anna Brouwer heeft met haar graveerpen de achttiende-eeuwse werkelijkheid nauwkeurig weergegeven. Datzelfde geldt waarschijnlijk voor de door Van Ollefen gemaakte beschrijvingen van de situatie van dat moment in de dorpen. Dit kan niet altijd gezegd worden van de historische gegevens die in de beschrijvingen zijn opgenomen. Voor een meer correcte historisch beschrijving is het daarom nodig ook andere bronnen te raadplegen.
In onderstaande transcriptie is de oorspronkelijke stijl ongewijzigd. Opmerkingen over het geschrevene zijn tussen haakjes met een n.b. opgenomen.
DE AMBACHTSHEERLIJKHEID VAN OUDSHOORN
De ligging van dit aangenaame Dorp, is byna dezelfde als die van het naast aangeleegene Dorp Alphen: beide kunnen als het Middenpunt van Holland en als het hart van Rhynland werden beschouwd. Beide zeggen wy, om dat deze Dorpen zo na aan elkander grenzen en dezelve zo in levendigheid als andere daaglykschen Bezigheden zo na elkander gelyken, dat niet zelden dit Oudshoorn met den naam van Alphen werd genoemd. 'T is ook denkelyk om deze reden, dat in vroeger dagen het Generaal-Post-Comptoir thans te Alphen zynde, alhier gevonden wierd.
Oudshoorn legt verders 3495 Roeden van Leyden, 472 Roeden van Alphen, 225 Roeden van de Heymans of 's Moolenaarsbrug, 1540 Roeden van Woubrugge en 990 Roeden van Rhynsaterwoude. Voorts ligt hetzelve met den Gnephoek (zynde een Polder die wy nader zullen bschryven) ten Noorden aan Esselykerwoude en Jacobswoude, ten westen aan de Hooge en Laagewaard van Koudekerk, ten Zuiden aan den Rhyn, die dit Ambacht van Alphen scheid, en ten Oosten aan Aarlanderveen en Langeraar.
Door dien de Rhyn door dit Ambacht stroomt, zo werd er ook veel Scheepvaart gevonden. Uit den Rhyn gaat teevens een water langs de zogenaamde Kortsteeker Polder van Alphen, de Aar genaamd, gaande van de over dezelve geleegen Heymandsbrug tot aan Woubrugge, en van daar weder in het Haarlemmer Meer. Deze Heymansbrug word gemeenlyk 's Moolenaarsbrug genoemd, en word met de Weetering van dien naam gewoonlyk onderhouden door het Water Bestuur van Woerden, welke ook voor zich de voordeelen van de Bruggelden daar voor genieten, die nog al redelyk iets aanbrengen, door dien daaglyks veele Vriesche, Zeeuwsche en Vlaamsche Schepen, nevens veele andere, zo Binnen als Buitenlandsche Vaartuigen deze Wetering passeeren, die alle hunne Reize van en na den Rhyn en elders door dit Ambacht voordzetten. - Naar men meent zoude deze Wetering in den Jaare 1062 voor een Waterloozing zyn gegraaven, op kosten en order van Vrouwe Geertruy van Saxen, en zoude zy dien den naam van Hymans Wetering hebben gegeeven, naar den naam van haaren Vader Heyman van Saxen. Deze Wetering nu, zo wel als de overige Watern en Vaarten, zetten zeker een zeer groote levendigheid tot dit plaatsje by. De zo evengenoemde Heymands of 's Moolenaarsbrug, is op zulk een aanmerkelyke wydte aangeleegen, dat drie naast elkander liggende Schepen, dezelven (aan beide zyde opgehaald zynde) te gelyk kunnen passeeren.
Als de voornaamste Wegen of Paden die den Voetganger naar het Dorp geleid en langs welke het Rydtuig op het Dorp komen kan, noemen wy den grooten Ryweg, die van de Steden Delft, den Haag, Leyden, enz. op deze plaats, en tusschen dezelve en de vermaarde Buitenplaats Rhynoord door gaat, naar en door Jacobswoude, Rhynsaterwoude, Leymuiden, Kalslagen, Kudelstaart, Amstelveen, den Overtoom en Amsteldam, en welke Weg van hier tot aan laatstgemelde Stad een lengte bevat van 9474 Roeden. Aan de boven of hooge zyde des Ambachts werden de Gronden redelyk vruchtbaar gevonden; aan de laage zyde egter is dezelve goede veen grond.
NAAMSOORSPRONG
Naar men wil zou den Naam van Oudshoorn, een voortbrengzel of afkomstig zyn van den ouden naam Woutshoorn, en zoude dit Ambacht voorheen ook aldus zyn genaamt geweest, gevende men verders aan deze woorden de betekenisse van een Hoek of Punt van een Bosch, het welk by Beverwyk en andere Schryvers onder den naam van Woud voorkomt. Welke stelling wy zeer wel voor de onze kunnen overneemen, en als den eersten Naams Oorsprong beschouwen, te meer daar wy weeten dat alle de Veengronden, in den beginnen meestal Bosche en Wouden zyn geweest, en hier ter plaatse altoos goede Veengrond geweest is. Bovendien is het bekend dat dit Ambacht weleer met een Uithoek of Punt vlak aan den Rhyn stoote, en dus is het zeer waarschynlyk, dat hetzelve in die dagen dezen naam van Woudshoorn droeg, hetwelk meer duidelyk naar onzetyd den Punt van een aldaar gelgen hebbend Bosch heeten zouden. Den tegenwoordige naam van Oudshoorn droeg het Dorp reeds in den Jaare 1300. Van deeze naam hebben de oude Heeren van Oudshoorn hun Geslacht-Naam ontleendt. Voorts heeft men denkelyk het Dorp: Oudshoorn genoemd, om dat hezelve zo veel tyd eerder als Esselykerwoude, Jacobswoude enz. zal zyn gedykt geweest.
Wat de Stichting en Grootte betreft, zo moeten wy zeggen, dat omtrent het eerste geen zekere bepaalingen kunnen worden gemaakt, zo min als wie de Stichter of de Stichters daar van zyn geweest. Wy vinden egter grond om te gelooven, dat het almeede vry oud moet zyn, alzo men vind dat hetzelve reeds in den Jaare 1062 tegens de Overstroomingen des Ryns bedykt was: in welke tyd de Hymans-Wetering voor een Waterloozing gegraaven wierd. Wy meenen dus alszeker te moeten stellen, dat de Stichting des Dorps, van deze bedyking af kan gereekend worden en het Ambacht alzo ten minsten vyf Eeuwen oud is.
Omtrent de Grootte steld van Leeuwen in zyn Constume van Rhynland: 1629 Morgen, Plemper heeft 1667 Morgen; de Verpondings-Lyst van den Jaare 1732 steld 1664 Morgen en 424 Roeden, en ons oude Manuschript heeft 1666 Morgen en 293 Roeden, zeggende daarby dat de Verpondingen 's Jaarlyks bedroegen een somma van 5705 Ponden 6 Schellingen en 2 Deniers, alle welke opgaave voor Oudhoorn en de Genephoek zamen genoomen zyn. Dan van Leeuwen 45 Morgen en 424 Roeden minder Schryft als de Verpondings-Lyst van den Jaare 1732, kan men daar aan toeschryven, dat deze Morgen in den Jaare 1683 van Aarlanderveen afgenoomen, en op de Verpondingslyst van Oudshoorn gebragt zyn
Het geaprobeerd Reglement van den Jaare 1796 steld voor Oudshoorn, maar 605 Morgen en 402 Roeden, en voor de Gnephoek 431 Morgen, te zamen dus nog maar 1036 Morgen en 402 Roeden: dan deze opgave moet alleen verstaan worden, als geen andere Landen te bevatten dan die in Rhynland uitwateren: wyl alle de Landeryen die in de Heymans Wetering hunne uitwatering hebben daarvan afgezondert zyn, en tot de Woerdensche sluische Morgengelden behooren.
In den Jaare 1632 waaren er te Oudshoorn en de Gnephoek niet meer als 64 Huizen, dog in 1732 een getal van 183 Huizen nevens 7 Pannebakkeryen of Kalkovens en 3 Moolens aangeteekend, welke Huizen en Gebouwen in 1795 en ook nog in 1798 bewoond wierden, door te zamen 1262 Zielen : waaruit dus blykt dat het Dorp niet vermindert is.
Wat de bebouwing des Dorp voords zelve betreft, het is evens als Alphen, van goede Huizinge voorzien; waarvan men vooral aan de Amsteldamsche Ryweg, aan de Aar en digt aan de 's Molenaars of Heymansbrug, een goed bewys aantreft.
Aan de Noordzyde van het Ambacht; vind men eenige Huizen, die de Ridderbuurt genaamd zyn, en welke deze naam zoude draagen om dat zo men wil de meeste Boeren of Huislieden aldaar te vooren woonachtig, in den Jaare 1295 door Graaf Floris, de 5de tot Ridders wierden geslaagen, om welke daad dien Graaf als toen den haat van den ouden Adel zich op den hals haalde, die zelfd zo verre ging dat dezelve hem eindelyk het leeven kosten. Het zal onzes bedunkens, hier niet ongeschikt zyn, ten einde alle verkeerde begrippen aangaande deze zaak weg te neemen, en men het reeds door oude Schryvers daarover geschreevene, des te beter zal kunnen verstaan.
Het is dan gebeurt dat de eerste en oudste Adel dezer Landen, welke eelar uit de Graaven van Holland of haar geslachten, zo uit regte linien als bastaarden bestonden, menigmaalen om haar grootheid en aanzien de regeerende Graaven in niets ontzien wilden, en zich wel eens bits en spytig tegens dezelve aanstelde, altyd op haare Adeldom steunende, aan welke veele Leen- en Dienstmannen verbonden waren, die onder zulk een Edelman staande, hem by voorkomende gelegenheeden, even als nu de Soldaaten den Landen, ten diensten moesten staan. Graaf Floris daarentegen ontzag dien Adeldom even min, en doet haar zelfs wel eens nu en dan een slag toebregen; dan altoos te vergeefs, want door geduurige Oorlogen smolten de Edelen van tyd tot tyd in, en haar getal wierd hoe langs hoe kleinder, waardoor zy die overbleeven trotscher wierden, en hunne hoofden al meer en meer tegens den Graaf dorsten te verheffen. De Graaf zat intusschen nooit stil, en was geduurig op middelen bedacht, om hun kleiner te maaken, doch hy vreesde egter Gerrit van Velzen, zyne vrienden en aanhangers, en vooral van Velzen zelfs, vreesde hy te meer, om dat hy denzelve te voorn eenige tyd had gevangen gehouden, en zyn broeder had doen onthoofden, wiens onschuld na dat men hem ter dood had gebragt, volkomen aan den dag gelegd was. Hierom verhief den Graaf, van Velzen tot alle hooge Bedieningen; dog er bleef by dezen egter altyd een geheime haat tegens den Graaf woeden, die wy reeds zelden voor de aanslaagen van van Velzen nooit zonder eenige vrees was. Nu zegt de Rym Cronyk onder anderen dat toen eens op zekeren tyd den Graaf een juffrouw aan Gerrit ten Huwlyk presenteerde, deeze hem in plaats van dit aanbod aan te neemen hem toeduwde: "Dat hy de Hoer van den Graaf niet begeerden te trouwen." Op welk gezegde den Graaf op zyn Ridderschap zoude gezwooren hebben: "Dat hy (Gerrit van Velzen naamlyk) nog binnen een Jaar by zyn Hoer slaapen zoude." Van Velzen trouwde kort hier op de Dochter van Herman van Woerden. Dan toen hy weinig tyds na de voltrekking zyns echts door den Graaf in Ambassade weggezonden wierd, verkragte den Graaf zyn Vrouw; zo dra kwam van Velzen niet terug, of hy, dit schandelyk stuk verneemende: smeede een plan om zich aan den Graaf te wreken. Dus spreekt den Rymschryver over deze gebeurtenis dan daar wy weeten dat het Poëtische altoos min of meer iets zinnebeeldigs of schilderagtigs bevat, en dit gezegde uit de gemelde Rym-Cronyk, niet als slechts zinnebeeldig moet verstaan worden: zo zullen wy hier met andere woorden, dit geval meer duidelyker verhaalen: men moet dan den eigentlyke zin aldus opvatten: "Na dat Graaf Floris, Gerrit van Velzen uit zyne gevangenis had ontslagen, en hem met verscheiden Eerampten had begunstigd, nam hy het besluit om eenige Persoonen tot Ridders te verheffen, waartoe hy zo van Velzen dagt zeer zeker geen andere dan zyn gunstellingen kiezen zoude, en hy zo wel als den overige Adel zeer veel door zouden moeten lyden. Van Velzen zweerde dus, des Graaven voorneemen niet te zullen gedoogen. Den graf egter by zyn genoomen besluit onverzettelyk blyvende zweert integendeel op zyn Ridderschap, zulks nog wel binnen een jaar tyd te zullen doen. Gerrit die niets hartelyker dan zyn Adeldom beminde, nam hierop het voorneemen, om hier tegen met alle mogelyke kracht te waaken. Dog de Graaf Gerrit by zich ontbiedende belaste hem met een Commissie en zond hem aldus buitenslands, zo dat hy van dezen kant niets te vreezen had. Hierop ontbied, den Graaf veertig Landlieden ten Hoven die meest alle onder Oudshoorn woonde, slaat hun alle tot Ridders, vereert ieder hunner met een Wapen, en doet van deeze aanstelling door een Heraut den Volke kennis geeven, het welk plaats had op den eersten Dingsdag in May des jaars 1295. - Gerrit na zyne Commissie volbragt te hebben, keerde weder terug, en aldus zyn geliefde voorwerp, den Adeldom verkragt en zyne waakzaamheid te schande gemaakte vindende: neemt het vaste voorneemen om zich hier over aan den Graaf te wreeken: hy verzogt hem, ten einde zyn oogmerk best te kunnen uitvoeren, op een bedrieglyke wyze met hem ter jagt te gaan, hetwelk den Graaf aan nam, als geen kwaad vermoedende; den nauwlyks waar men op eenige afstand genaderd, of Gerrit met zyn aanhangelingen vallen den Graaf op het Lyf, en met verscheide wonden toebrengende, voerden zy hem gevangen mede en meenden hem alzo naar Engeland te zenden; dan den Graaf door zynen Vrienden weder ontzet wordende, wierd hiervan verlost, en weder in vryheid gesteld, dog slechts voor een korten tyd, want niet lange daarna, en wel op den 12 Juny wierd denzelven door den voorn. Gerrit van Velzen vermoord. Na welke schrikkelyke daad Gerrit en verscheiden zynen aanhangeren, medeplichtig zynde, wierden teregt gesteld, andere vluchten, zommige wierden gebannen en hunnen Huizen en Goederen geplundert en aan den Graaf verbeurd verklaard. Zo dat men dus by het beschouwen dezer Buurt, omtrent deszelfs naamsoorsprong te recht zachten mag, als waar over zo veel bloeds gestort, zo veele in armoede hebben moeten omzwerven, en zo veel Huizen en aanzienlyke Gebouwen zyn verwoest geworden. En hier mede meenen wy onze Lezeren geen ondienst te hebben gedaan, en aldus de Historie van ons Vaderland eenig ligt te hebben bygezet.
Dan van deze zogenaamde Ridderbuurt is thans niets meer dat na eenige Ridderschap of Adel zweemt, want de allereerste uitvoeringen der Oudshoornsche Landen viel juist deze Buurt ten deel, zo dat men toen om zo te spreeken, de geadelde Persoonen, alle door Veenlieden en Turfmaakers zagen vervangen. Zedert dat nu het Noordergedeelte des Ambachts uitgeveends is ziet men dezelve met andere Ambachts Polders droog gemaakt. Voor 7 a 8 Jaaren geleden, wierd deze Polder, door een geweldige doorbraak geheel en al geinnundeert, en alzo op nieuw onder water gezet, hetwelk zeer groote schade en ter weder droogmaaking aanzienlyke kosten veroorzaakt heeft. Voorts kan men van deze Polder zeggen, dat hier nog en wel reeds zedert den Jaare 1736, even als in andere nabuurige Polders aanhouden geveend word wedende de gereed zynde Turd aan de Humans of 's Molenaarsburg in groote Scheepen gelaaden en daarmede naar andere Steden ter verkoop aangebragt, het geen een groote levendigheid verwekt en voor de Inwooners nog al eenig voordeel doet aanbrengen.
Het WAAPEN
Van Oudshoorn is een zwart schild met 3 zilvere Jacht Hoorns, daarop afgebeeld.
KERKELIJKE EN GODSDIENSTIGE GEBOUWEN
Eer wy deze zullen beschryven, is het nodig te weeten dat hier voor heen nog Kerk nog Kapel gevonden wierd; ten misnte van Rhyn in zyne Kerkelyke Oudheeden nog eenig ander Schryver, heeft hoegenaamd geen melding daarvan gemaakt. De gemeenten was te vooren gecombineerd met die van het nabuurig Alphen: na de Reformatie Schynen die van dit Dorp en Oudshoorn om beurten de Ap of Improbatie, en uit zommige aanteekeningen zoude men zeggen de Collatie of het Beroep van een Predicant aan zich te hebben gehad, Cornelis de Vlaming van Oudshoorn en Gnephoek in den Jaare 1646 met deeze Ambacht Heerlykheid, verlegd zynde, kreeg tusschen dit Jaar en 1661 met den Heer of Vrouw van Alphen eenig verschil over de kiesbeurt van den Predicant, den een den ander volstrekt niet willende toegeeven: zo resolveerde den Heer van Oudshoorn om zyne Inwoonderen zo verre die onder zyn bestuur behoorden, van die van Alphen te separeeren; hy deed ten dien einde een houten loots opslaan, in welke in den Jaare 1661 voor de eerstemaal door den Eerwaarde Philips Geelkerken Gepredikt wierd, neemende zyn Text uit Exodus 20 vers 24 aldus luidende "Maakt my eenen Althaar van aarde ende offert daarop de Brand Offeren ende uwe Dank Offeren, Uwe Schaapen ende uwe Runderen, aan alle Plaatsen daar ik myne Naams Gedachtenis Stichten zal, zal ik tot U koomen ende zal ik U zegenen." By de oprichting en inwyding van dit houten Kerkgebouw was hier nog geenen Predicant nog Kerkenraad aangesteld, wredende het Ambt van Diaconen voor als toen nog waargenomen door de Classis van Woerden en Over-Rhynland tot er op den 7 july deszelven Jaars door denzelven Heer tot Predicant van deze nieuwen Gemeenten beroepen en daarna bevestigd wierd: den Eerwaarden Gerardus Haak dewelke ruim 40 Jaaren dezen dienst alhier heeft waargenoomen, intusschen er meede ook een Kerkenraad daargesteld was.
Den Heer Vlaming van Oudshoorn die middelerwyl gezorgd had, om hier een beter Kerkgebouw opterichten, ontmoeten in dezen arbeid zo wel Vyanden als Vrienden. Zyn Edele te dier tyd Oud Burgemeester van Amsteldam zynde, had van den jaare 1649 tot 1656, den Post van Hoofd Officier der Stad waargenoomen, waaromme dan ook zy die deeze nieuwe opbouwing met een nydig oog hadden tegen gewerkt verspreiden: dat deeze Kerk uit de Boetens en Premissie Gelden die den Heer van de Speel- en Hoerhuizen getrokken had wat opgebouwd tegen welk uitstrooisel Mr. Gerard van Loon in zyne Beschryving der Nederlandsche Historie Penningen 2 Deel Bladz. 322 het volgende heeft aangetekend zeggende: "'t is niet onwaarschynelyk dat den Heer de Vlaming in zyn waardigheid zulke Penningen genoten heeft, volgens de inschikking aan zulke Huizen, vergunt hetwelk zyn oorsprong reeds had in vroeger tyden, maar dat de Gelden afzonderlyk tot het bouwen van eene Kerk weggelegt zouden zyn, is niet te denken, doch wel dat de Burgemeester dit Godshuis uit zyne inkomste of middelen heeft opgebouwt."
Het zy dan nu ook hoe het wil: of dit verspreide gerucht waarheid was: dan of de Penningen tot dien opbouw zo Plemper zegt door de Burgers gezamenlyk gefourneerd zyn geworden: dit zullen wy daarlaten; het blykt dan nog dat den Heer Kornelus de Vlaming van Oudshoorn Heer van Oudshoorn, den stichter der tegenwoordig zynde Kerk is.
Deeze Kerk nu is een schoon gebouw, en kan met recht als een der fraaiste in gantsch Rhynland aangemerkt worden; dezelve is in de smaak van de Oosterkerk te Amsteldam zeer luchtig en kruisgewyze dog iets lager dan deze opgebouwd.
Zynde van de vier opgetrokkene kruisgevels, eene kruiszyde aan elk der zyde smalder dan de strekking van de geheele Kerk is. Men vind dit Gebouw staan aan het Westeinde van de Amsteldamsche Ryweg; midden uit het Dak ryst een zeer net spits Toorentje waarin Uurwerk en Klok gevonden word. Zynde spits en kerkdak met Lyen gedekt.
Binnen is dezelve zeer ruim geheel zonder Pylaaren getimmerd, en tegen het dak geheel verwulft. Regt in de midden onder de Tooren is een Wyzerbord geplaast, het welk door middel van een Spiegel op de Leesplaats van de Voorzanger den tyd aanwijst. Men vind er voorts een nette Predikstoel, Doophek, Zitplaatsen en Gestoeltens. Voor eenige Jaaren geleeden, wierd aan de Gereformeerde Gemeenten in deeze hunne Kerke door den Heer Schellinger; die toen op de Buitenplaats Rynoord woonden, een Orgel vereerd. De glasen van dit Kerkgebouw zyn alle zeer konstig beschildert, en de wanden waren tot aan den Jaare 1795 rondsomme met allerlei Wapenen en Graftekens zo van de Heeren en Vrouwen van Oudshoorn als van andere personen voorzien. Thans ziet men nog in dezelve onderscheidene schoone tafreelen in Dichmaat met Vergulde Letteren van Burzada en Antonidus. In alle opzichte in deeze Kerk dus een fraay en zeer goed onderhouden Gebouw, waarvan wy (zo wy reeds zeiden) nog eens herhaalen kunnen: dat hetzelve een der fraayste Dorps Kerken in geheel Rhynland is. Het Kerkhof is in den Jaare 1660 met de Aarde uit het Canaal agter Alphen geschooten, opgehoogt, en werd mede zo wel als de Pastory en het schoolhuis in goede order gevonden. Als Voorzanger, Koster, en Schoolmeester fungeert thans den Burger Cornelis van der Sluys.
Van de WAERELDLIJKE GEBOUWEN
Valt hier niets dit Dorp betreffende te zeggen. De Waag werd in een Particulier Huis en het Rechthuis in een ordinaire Herberg gehouden.
DE KERKELIJKE REGEERING
Bestaat alhier uit een Predicant die onder de Classis van Woerden en Over Rhynland behoord, zynde zedert den Jaare 1792, den Eerwaarden Matthys van der Burg, voorts met nog 2 Ouderlingen en 2 Diaconen. De Roomsche Gemeenten deezer Plaats behoort Kerkelyk onder Alphen.
WAERELDLIJKE REGEERING
Wat het crimineele Recht betreffe, zo behoort Oudshoorn onder de Balluw en welgeboorene mannen , en met het Water of Heemrecht: onder het Heemraadschap van Rhynland: by welk laatste hetzelve beschreeven staat op het eerste quartier Hoofdplaats Leyderdorp.
In den Jaare 1300, was deze Ambachts-Heerlykheid reeds eene bezitting van de Heeren van Oudshoorn, welke Heere toen ook reeds dien naam voerden. In 1321 Dirk van oudshoorn overlydende, wierd zyn Zoon Willem daarmede verleid; dan in 1351 verloor hy deze Heerlykheid, om rede dat hy de Hoeksche party was toe gedaan, waarna dezelve door Graaf Floris in 1354 wierd verkogt aan Arnold van Ysselstein. Daarna ging dezelve weder over aan Adriaan Raaphorst, hierna wederom aan Huize van Kuylenburg, vervolgens aan den Koning van Spanje als Graaf van Holland, deze verkogt dezelve aal Roeland van le Febre: toen kwam dezelve aan de Heere van Heemstede en zyn Nichte Vrouwe Anna de Baringcourt aan het Hof van Spanje zich bevindende; vervolgends wierd dezelve aan de Staaten van Holland verbeurd verklaard, welke daarmede haare agter stallige Schulden aan den Heer Ernst van Mandersloo Veldmaarschalk van Holland in 1593 voldeed, wiens Erfgenaamen deze Heerlykheid in den Jaare 1659 verkogten aan Vrouwe Margaretha van Mechelen: van deze kwam dezelve in den Jaare 1621 aan Hugo Spiering, van deze kwam dezelve in den Jaare 1627 over aan de eerste bezitters haar afstammelingen, komende het alleerst aan Dirk de Vlaming van Oudshoorn, in 1646 aaan zyn zoon Kornelis de Vlaming van Oudshoorn, in 1688 aan zyn Dochter Maria de Vlaming van Oudshoorn, deze Huwelykte met Pieter Baron van Rhede, aan wiens geslacht deze Heerlykheid tot op heden nog gebleeven is.
Het Regerings Collegie werd te zamengesteld uit den Schout en Ambachts bewaarders, voorts Schout en Municipaliteit en Schout en Scheepenen, nevens den Secretaris en verder Wees-, Kerk-, Arm en Brandmeesters, Bode en Bedienden enz.
Wat de Voorrechten Dezer plaats betreffen daar van zyn geene byzondere optegeeven; als alleenlyk die welke gewoonleyk aan Ambachts Heerlykheden zyn verknocht, en die tot op heden door geen genomene besluiten zyn vernietigd. De Ambachts Heer of Vrouw heeft ook een derde van de voordeelen van den Rhynbrug en de helft in het Lootgeld van den Rhyn mits ook daar voor zyn aandeel in de onderhouding neemende.
De Bezigheden zyn hier genoegzaam eeven als te Alphen; alleenlyk kan men hier nog byvoegen, de Veenderyen die alhier met kragt voortgezet worden. In het stuk van
geschiedenissen heeft Oudshoorn wat de Gebeurtenissen en rampen des Oorlogs betreffen, met Alphen altoos byna een gelyk deel gehad. Voor eenige Jaaren brak den Dyk van de zogenaamde Vier Ambachts Polders Droogmakery door, hetwelk een groot nadeel aan de Ingezetenen toebragt.
Buitengemeene Byzonderheden zyn hier niet: de fraaye Kerk verdient egtert hier onder opgegeeven te worden. Ook verdienen de aangenaame weegen, de Schoone Buitenplaatsen en Thuinen, het verrukkelyk gezicht des Rhyns, de drokke bewebingen aan de Heymans of 's Molenaarsbrugge met recht in eenige aanmerking te komen.
De Reisgelegendheeden zyn hier eeven als te Alphen; waarby wy hier nog kunnen voegen, dat alle Nachten alle de Schuiten van en na Amsteldam, Rotterdam, Delft, den Haag, Leyden enz. alhier een of twee uuren en zomtyds langer vertoeven en plysteren, in welke tyd de Passagiers zich gewoonlyk van alle verversingen in de Herberg van ouds genaamd de Prins voorzien. Zo leggen hier meede zo des daags als des nachts de Utrechtsche Schuiten aan, dewelke haar plysterplaats in de Herberg de Star houden. Men kan dus van hiet zo wel by nacht als dag, altoos naar andere Steden vertrekken, waartoe men ook des begeerende van het nodige Rydtuig kan gediend worden.
HERBERGEN EN LOGEMENTEN
Zyn er hier verscheiden, en wel voornaame, dan de beide meest voornaamste, hebben wy reeds genoemde, zynde die van Ouds de Prins en de Ster genaamd.