Het Aardrijkskundig Woordenboek van A.J. van der Aa en
de kaart van J. Kuyper geven samen een beeld van Nieuwveen
halverwege de negentiende eeuw. Het door Kuyper getekende gedeelte
van dat beeld geeft de negentiende eeuwse werkelijke situatie weer.
Voor sommige gemeenten geldt zelfs dat de grenzen sinds die tijd
vrijwel ongewijzigd zijn gebleven.
De beschrijving die Van der Aa geeft van de negentiende-eeuwse
situatie kunnen we eveneens beschouwen als correct. Dan kan niet
altijd gezegd worden van de historische gegevens die in de
beschrijvingen zijn opgenomen. De tekst moet daarom worden
beschouwd als de interpretatie van de negentiende-eeuwse
amateur-historicus. Voor een juist historisch overzicht is het
nodig ook andere bronnen te raadplegen.
Klik hier voor nadere informatie over Van der Aa en
Kuyper.
De tekst is, met aanpassing van de spelling, zoveel mogelijk in de
oorspronkelijke stijl overgenomen. Een enkele fout in de tekst is
stilzwijgend verbeterd. Aanvullingen en opmerkingen zijn tussen
haakjes met een n.b. opgenomen.
NIEUWVEEN, heerlijkheid in Rijnland, provincie Zuid-Holland,
arrondissement Leiden, kanton Woubrugge, gemeente Nieuwveen met de
Uiterbuurt; palende noord aan de heerlijkheid Kalslagen en de
Uiterbuurt, oost aan de Dobbens en de Zevenhovense plas, zuidoost
aan Zevenhoven, waarvan het door de Zevenhovense dijk en de
Schootervaart gescheiden is, zuid aan de Schootervaart, die het van
de heerlijkheid Schoot scheidt, zuidwest aan Langeraar, west aan
Kalslagen.
Deze heerlijkheid bevat het dorp Nieuwveen, benevens een gedeelte
van de Oosterpolder, en daarin enige verstrooid liggende huizen. De
inwoners vinden meest hun bestaan in de veenderijen en voorts in de
landbouw.
De hervormden, die er wonen; maken, met de overige uit de
burgerlijke gemeente Nieuwveen en Uiterbuurt, een gemeente uit,
welke tot de classis van Leiden, ring van Woerden, behoort, en 450
zielen, waaronder 180 lidmaten, telt. De eerste, die in deze
gemeente het leraarambt heeft waargenomen, is geweest Jan Franszn,
die in het jaar 1583 herwaarts kwam, en in het jaar 1588 opgevolgd
werd door Robbertus de Ridder. Samuel Johannes van de Wijnpersse,
die hier predikant was van 1782 tot 1784, was later hoogleraar te
Groningen en te Leiden, ter welker laatste plaats hij 22 november
1842 overleed.
De rooms-katholieken, die men er aantreft, behoren tot de statie
van Zevenhoven. Men heeft in deze heerlijkheid een school, welke
gemiddeld door een getal van 90 leerlingen bezocht wordt.
Deze heerlijkheid behoorde voormaals mede onder de heerlijke
goederen van de grafelijkheid, en werd, in het jaar 1724, voor
15.500 gulden gekocht door de stad Haarlem, welke haar thans nog
bezit.
Het dorp Nieuwveen, ook wel eens Nieuweveen gespeld, ligt 43/4 uur
noordnoordoost van Leiden, 2 uur noordoost van Woubrugge. Het is
een zeer vermakelijke plaats, en wordt Nieuwveen genoemd, omdat de
veenderij of het ontgronden der turflanden alhier later, dan op
Zevenhoven en andere hieromstreeks liggende ambachten, begonnen is,
zodat de naam niet anders dan een aanwijzing van de nieuwe
veenderijen is.
De kerk, welke vóór de Reformatie aan de Heilige Nicolaas was
toegewijd, werd door de graaf van Holland begeven; de instelling of
inlijving in de pastorie kwam de aartsdiaken van Utrecht toe; het
kosterschap, hetwelk geen vast inkomen had, werd ook door de graven
begeven. De pastoor had ook geen vaste goederen, dan een kleine
huizing; maar de huislieden gaven hem jaarlijks uit de kerkelijke
goederen ruim 20 goudguldens (30 gulden). Het was een zeer fraaie
ruime kerk, welke met vier bijzondere gevels opgetrokken was, als:
aan de achterzijde twee en aan iedere zijde van de toren één,
waardoor het een bijzonder aanzien had en zich bijna als een
kruiskerk vertoonde. Aan deze kerk was een fraaie achtkanten toren,
welke tot een aanzienlijke hoogte opgetrokken en met een dergelijke
stompe spits gedekt was; terwijl daar binnen een goed uurwerk en
twee klokken gevonden werden. Deze kerk is in het jaar 1832 door
een geheel nieuwe vervangen, waartoe enige godsdienstvrienden
vrijwillige bijdragen hebben geschonken, en uit het fonds voor de
noodlijdende kerken 1.500 gulden is gegeven. Het is een langwerpig
gebouw, met een vierkante toren, doch zonder orgel.
Het blijkt uit twee verklaringen, gegeven in het jaar 1364, dat die
van Nieuwveen met Kalslagen, aanmerkelijke tijd tevoren, een vrije
watergang gehad hebben, door de Amstel, te Amsterdam uit, welke zij
gekocht hadden van Willem van Amstel, proost van St. Jan en zijn
broer Gijsbrecht van Amstel. Dit voorrecht is hun, in hetzelfde
jaar 1364, opnieuw vergund of bekrachtigd door hertog Albrecht van
Beijeren, dijkvrij en sluisvrij, gelijk zij het tevoren gehad
hadden. In het jaar 1629, op 1 mei, werd er, bij de schouten van
Nieuwveen, Uiterbuurt en Kalslagen, benevens de molenmeesters van
de Oost- en Westeindse polders aldaar, een keur beraamd op het
vissen, waarin vastgesteld werd, dat niemand, van 12 april af tot
St. Jacob of St. Pieter, met schakels zou mogen vissen, terwijl
ook, in die tussentijd het water aan enige buitenlieden geheel
verboden, en aan de ingezetenen ook niet toegelaten werd, dan op
bijzonder verlof en in ieders eigen wateren, om een anders koren,
turf, hooi en ander gewas niet te beschadigen. Nog werd in deze
keur de ingezetenen gelast, in de tijd, als het koren gezaaid of
naderhand, als het rijp was, hun eenden te hokken, alles op
onderscheidene boeten. Dit bevel werd, in het zelfde jaar, op 11
december, door baljuw en welgeboren mannen, tot een keur
gemaakt.
Op 4 september 1638, gaven dijkgraaf en hoogheemraden van Rijnland
een keur, waarbij zij, ten verzoeke van de schouten van Nieuwveen
en de Uiterbuurt, met de molenmeester van de Oosteindse polder, wel
scherpelijk verbieden, dat niemand, ingezetenen noch vreemdeling,
de vaart van de Nieuwveense dijk af, noordwaarts op, tot aan de
Drecht toe, met schepen, schuiten of schouwen mocht bezeilen op een
boete van drie gulden. Gelijk mede vroeger en later meer andere
keuren en ordonnantiën door het dijkscollege, ten behoeve van
Nieuwveen en de Uiterbuurt, gemaakt zijn.
De kermis valt in de laatste zondag in Juli.
Het wapen dezer heerlijkheid bestaat in een veld van keel (rood),
van boven met een dwarsbalk, waaraan zijn hangende drie bellen,
alles van goud, van onderen met een achtpuntige ster van
zilver.
NIEUWVEEN MET UITERBUURT, gemeente in Rijnland, provincie
Zuid-Holland, arrondissement Leiden, kanton Woubrugge; palende
noord aan de Noordhollandse gemeente Uithoorn, oost aan Mijdrecht
en Zevenhoven, zuid aan de gemeenten Zevenhoven en Ter Aar, west
aan de Noordhollandsche gem. Kalslagen-en-Bilderdam.
Deze gemeente bestaat uit de heerlijkheid Nieuwveen en de
Uiterbuurt, en beslaat, volgens het kadaster, een oppervlakte van
852 bunder 47 vierkante roeden 4 vierkante ellen en daaronder 846
bunder 10 vierkante roeden belastbaar land. Men telt er 118 huizen,
bewoond door 182 huisgezinnen, uitmakende een bevolking van 800
inwoners, die meest in de veenderijen en de landbouw hun bestaan
vinden. Ook heeft men er een korenmolen.
De hervormden, die er 450 in getal zijn, onder welke 180 lidmaten,
maken de gemeente van Nieuwveen uit.
De rooms-katholieken, van welke men er 350 aantreft, maken, met de
rooms-katholieken van Zevenhoven, een statie uit, waarvan de kerk
in het Noordeinde van Zevenhoven is geplaatst.
Men heeft in deze gemeente één school.
UITERBUURT, heerlijkheid in Rijnland, provincie Zuid-Holland,
arrondissement Leiden, kanton Woubrugge, gemeente Nieuwveen met de
Uiterbuurt; palende noord aan de Drecht, oost aan de Proostdij van
St. Jan, zuid aan de heerlijkheid Nieuwveen, west aan de
heerlijkheid Kalslagen.
Van deze heerlijkheid, welke de voormelde buurtschap Uiterbuurt,
benevens enige verstrooid liggende huizen bevatte, bestaat niet
veel meer dan de naam. De voormalige heerlijkheid Uiterbuurt of
Uitterbuurt, lag 4 uur oostnoordoost van Leiden, 2 uuur
oostnoordoost van Woubrugge, 1/4 uur noordoost van Nieuwveen. Er
staat aldaar thans nog slechts één huis.
Literatuur: