tba106

Nieuwveen en Uiterbuurt aan het einde van de achttiende eeuw volgens Van Ollefen en Brouwer

Lieve van Ollefen werd geboren in Amsterdam op 13 oktober 1749. Van Ollefen was een bekend broodschrijver die veel geschreven heeft in opdracht van uitgevers en boekverkopers. Hierdoor heeft hij een zeer uiteenlopende productie gehad. Zo schreef hij als poëzie bijvoorbeeld het in 1784 verschenen De wereld is geen tranendal in vier zangen. Daarin werd betoogd dat een vroom christen op aarde veel genieten mag. De Synode van Amsterdam veroordeelde het stuk als "hoogst schandelijk". Hij schreef werken met een pedagogische bedoeling en vervaardigde stukken voor het toneel, soms met een politieke strekking, zoals Het revolutionaire huishouden, in mei 1798 toen hij gevangen zat. Het handelde over de emancipatie der vrouw. Zijn bekendste werk is het met R. Bakker uitgegeven De Nederlandsche stad- en dorpbeschrijver. Hoe de werkverdeling tussen Bakker en Van Ollefen is geweest, is niet duidelijk.

Van Van Ollefen wordt gezegd dat hij een veelzijdig man was, maar iemand "bij wie de diepte gewoonlijk in de breedte verloren ging". Hij overleed in het werkhuis in zijn geboorteplaats op 16 juni 1816.

De Nederlandsche stad- en dorpbeschrijver verscheen tussen 1791 en 1811. Het werd uitgegeven door H.A. Banse in de Stilsteeg in Amsterdam. Het werk bestaat uit verschillende delen. Deel VIII beschrijft de dorpen in Rijnland. Het titelblad van dit deel vermeldt als auteur alleen Rs. Bakker. Een heruitgave van het werk verscheen in 1976 bij de Europese Bibliotheek in Zaltbommel.

De bekende ovale gravures voor De Nederlandsche stad- en dorpbeschrijver  werden gemaakt door Anna Catharina Brouwer. Van haar is weinig bekend. Waarschijnlijk was zij een dochter van Cornelis Brouwer, die in Amsterdam plaatsnijder was. Hij graveerde boekillustraties, portretten en historieprenten. Anna Brouwer maakte de gravures in de periode 1793-1801. De gedichtjes onder de gravures zijn waarschijnlijk van de hand van Van Ollefen. 

Bron: Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek II (Leiden 1912) 257, 259; en VIII (Leiden 1930) 1236. 

Anna Brouwer heeft met haar graveerpen de achttiende-eeuwse werkelijkheid nauwkeurig weergegeven. Datzelfde geldt waarschijnlijk voor de door Van Ollefen gemaakte beschrijvingen van de situatie van dat moment in de dorpen. Dit kan niet altijd gezegd worden van de historische gegevens die in de beschrijvingen zijn opgenomen. Voor een meer correcte historisch beschrijving is het daarom nodig ook andere bronnen te raadplegen.

In onderstaande transcriptie is de oorspronkelijke stijl ongewijzigd. Opmerkingen over het geschrevene zijn tussen haakjes met een n.b. opgenomen. 

 

DE AMBACHTSHEERLIJKHEID VAN NIEUWVEEN EN DEN UITERBUURT 

Deze zyn twee aan elkander leggende Ambachts Heerlykheeden is Rhynland, welke by den Tegenwoordigen Staat van Holland, als meede by de Publicatie van het Uitvoerend Bewind van dato 17 November 1798, hoewel anders, wanneer wy by de Ligging op de voorhande synde Kaarten nagaan, Uiterbuurt beter onder Calslagen in de Oostendensche Polder zoude kunnen geplaatst worden, zo als nader blyken zal. Thans zullen wy overgaan ter beschouwing van deszelfs. 

LIGGING 

Deeze is in den Heemraadschappe van Rhynland 6873 Roeden van Leyden, 1035 Roeden van Zeevenhoven, 1618 Roeden van Langeraar en 211 Roeden van Rhynzaterwoude.

De Tegenwoordigen Staat zegt: "Het paald ten Zuiden en ten Oosten, zeer na aan aanmerkelyke uitgevende plasse, die verscheide Districten beslaat; aan de andere zyde strekt zig het Ambacht ten Westen en Zuiden aan Calslagen en den Uiterbuurt, een Ambachts-Heerlykheid op zig zelve, welke zyn eigen Ambachts-heer heeft."

Dan wy zullen de belendingen volgens de accuraatste Kaart die wy voorhanden hebben, hier aanhaalen, Nieuwveen legt dan ten Noorden tegen de Oostendensche Polder van Calslagen en den Uiterbuurt, van welke het door 't Voetpad gescheiden word, het heeft ten Oosten de Dobbens aan de Proostdy van St. Jan te Utrecht behoorende en de Zevenhovensche Plas ten Zuidoosten legt Zeevenhoven, werdende daar van gescheiden door den Zevenhovensche Dyk, en de Schootervaart ten Zuiden legt het tegens de Hooge Heerlykheid van Schoot, wrodende door de voorschreeve Schootervaart meede, als ook door de Heerenweg gemaakt word, leggende verder ten Westen aan Calslagen aan de Westendensche Polder, welke voor een gedeelten in dit Ambacht valt. en door de Abbewatering gescheiden word. Dit opgegeevenen doet dus genoegzaam zien dat de geleegenheid zo te Water als te Land gemakkelyk een aangenaam is, wyl alles te Water en te Land af en aangevoert kan worden; de Gronden zyn alle zo verre dezelve nog niet Verveent zyn Veenaardens, welke goede Turf opleverd. Den Uiterbuurt legt zo wy boven zeggen in en aan de Oostedenschen Polder van Calslagen, paalende ten Noorden vlak aan de genoemde Polder; ten Oosten aan de Dobbens van de Prostdy van St. Jan te Utrecht, ten Zuiden aan Nieuwveen, en ten Westen aan de Westendensche Polder van Calslagen, waarmeede wy dus van dit Artikel afstappen  en overgaan tot dat van deszelfs 

NAAMSOORSPRONG 

Van Nieuwveen kan men dien zeer duidelyk ontdekken: het wordt Nieuwveen genoemd, alleen om reden dat de Veenderye of het ontgronden der Turf Landen alhier later dan op Zeevenhoven en andere hier omstreeks Leggende Ambachten bgeonnen is, zo dat den naam niet anders dan een aanwyzing van de nieuwe Veenderyen is, onze leezeren zyn echter bericht, dat men in het 2 Deel van dit ons Werk meede een Nieuwveen ontmoet, het welk een Hooge Heerlykheid in Delfland is, en derhalven zeer veel van deze afgescheiden ligd.

Den Uiterbuurt draagt dien naam als aan het einde of uitersten van den Ambachten van Nieuwveen, Calslagen en het Hollandsch Grondgebied teegens het Stigt van Utrecht aanleggende. 

STICHTING EN GROOTTE 

Zo vinden wy ons omtrent het eerste verplicht te zeggen;  dat wy ten aanzien van Nieuwveen en den Uiterbuurt geen de minste zeekerheid hebben raakende den Ouderdom, zo dat wy hier alweder even zo onzeeker zyn als wy by verscheide anere omleggende Dorpen en Ambachten ontmoeten; dan de Ligging en den aart der Gronden enz. doet ons aan hetzelve een hogen Ouderdom toekennen; wy gissen zelf uit de Ligging van Nieuwveen dat dezelve almede een Stichting der oude Heeren van Woude is.

De Grootte aangaande daar van doet den Tegenwoordigen Staat geen de minste aanteekeningen, gelyk mede mr. Simon van Leeuwen, in zyne Inleiding voor de Constume van Rhynland, zulks mede niet ten opzigten der Morgen taalen moet, het geaprobeerde Reglement van Rhynland van dato 10 Februari 1796 heeft mede geen grootte zo dat deeze alle hieromtrent zeer duister zyn. Dat de Gronden niet groot zyn, toond ons oude Manuscript zeer duidelyk, daar wy aangeteekend vinden, dat dezelve niet meer beslaat voor beide de Ambachten dan een getal van 337 Morgen en 50 Roeden Lands, en dat daar voor wierd betaald een somma van 832 Ponden 4 Schellingen en 14 Deniers; en daar wy by alle de Ambachte by de Voorrechten  de Grooten na de Verponding-Lyste van den Jaare 1732 opgeeven zo zyn wy in deeze verpligt, om die van een oude Manuscript te houde, wyl wy geen andere voor handen hebben. Aangaande nu het getal der Huizen, daar voor waren in 1632 aangetekend, 133 en 100 Jaar daarna 1732, veertig meer, wanneer het getal 173 was; dan dit getal is zedert niet vermeerdert, want in den Jaare 1795 en 1798, waren er voor beide niet meer dan 552 Zielen beschreeven, welke ten opzigten van haar Stemregt alzoo behooren, onder het Departement van Texel, by de 7de Ring op de Hoofdplaats Noorden.

Wegens de Huizen en Gebouwen kunnen  wy niet anders zeggen dan dat dezelve na de manier van het Platteland en wel van Veendorpen is aangelegt, even zo als ook den Uiterbuurt gevonden word. 

Het WAAPEN 

Is een Goud-Schild, waarop een zwarte Ster met agt Punten, en daarboven drie zwarte Klokken afgebeeld zyn. 

KERKELIJKE EN GODSDIENSTIGE GEBOUWEN 

Wy vinden aangaande de Kerk, in de Oudheden en Gestigten van Rhynland, als mede in de Beschryving van het Utrechtsche Bisdom, byna een en dezelve aantekeningen door den Eerwaarde Heer Pastoor van Ryn gedaan, denzelve zegt dat in de Oudheeden van Rhynland aldus "Het Dorp Nyeveen, anders Nieuwveen genaamt, behoort onder het Graafschap van Holland, de Kerke welke den Heiligen Nicolaas toegewijd werd door de Graave van Holland begeeven, de Instelling of Inlyving in de postorye kwam den Aardsdiacon van Utrecht toe,  het Kosterschap, het welk geen vast inkoomen had, werd ook door de Graven begeeven, den Pastoor had ook geen vaste goederen, als een kleiachtige Huizingen, (by het Bisdom van Utrecht leest men dat denzelven zeer Arm was), maar de Huisluyden gaven hem Jaarlyksch uit de Kerkelyke Goederen 20 Goud Guldens, in het Jaar 1514 heeft Hendrik Dirkzoon een Man van 70 jaren, deze Pastorye bekkleed."

Hier moeten wy nu aanmerken dat het uit dit gestelde wegens de armoede van de Pastoor aan ons voortkomt dat deze Kerk zeer oud is, nadien wy by Zevenhoven, een wet aanhaalen van Lodewyk, Roomsch Keizer, waarby denzelve zegt dat waar een Kerk, werd gesticht het Volk verplicht was tot onderhoud van den Priester te bezorgen, een Mansus van 12 Bunderen Bouwland; deze Keizer Lodewyk was een Zoon van Karel de Groote, en kwam aan de Regeering den 28 January 813, en Regeerden na zyn Krooning, een tyd van 20 Jaare, 3 Maanden en 24 Dagen, zynde overleeden den 20 Juny 840, in den ouderdom van ruim 60 Jaaren, waaruit blykt dat deze Wet tusschen den Jaare 814 en 840 moet zyn gegeeven geweest.

Wanneer nu deze Kerk van een laatere Stichting was, zo had zeker den Pastoor zo Armoedig, niet behoeven te leeven, en uit de gunst der Boeren 20 Goud Guldens ontfangen. Voor het overige vinden wy omtrent deze Kerk niets meer te melden, vermits den tyd der Stichting nergens genoemd werd: naamen van andere Pastooren dan den reeds genoemde Hendrik Dikszoon, vinden wy mede even zo min gemeld, gelyk mede ook van geene Cieraaden van de Roomsche dagen, welke aan deze Kerk zouden kunnen hebben behoord, nog eenig andere berichten hoenaamd gemeld.

Het Tegenwoordig Kerkgebouw is een zeer fraaye ruime Kerk, welke met vier byzondere Gevels opgetrokken is, als aan de Agterzyde twee, en an iedere zyde van den Tooren een, waar door dezelve een zeer byzonder aanzien heeft, en byna als een Kruiskerk zig vertoond de Daken wyn met Leyen gedekt, de Vloer zeer net met Tegels en Zerken belegt, werdende in dezelve schoone Begraafplaatzen gevonden voorts nette en zindelyke Predikstoel, Doophek, meedere en mindere Zitplaatzen, Gestoeltens enz. aan dezelve is een fraaye agtkante Tooren welke een aanzienlyke hoogte beslaat, en met een dergelyke stompe Spits gedekt is, waar boven de Windwyzer staat, hebbende op de tweede Verdieping buiten op de Uurwyzers, binnen een goed Uurwerk, en twee Klokken, het Kerkhof bevat een groote ruimte en is meeredneels met Boomen  omzet; de Wooningen zo van den Predicant als den Schoolmeester van schoone en in goede order onderhouden werdende Gebouwwen, elk met een Thuin voorzien.

Andere of meerdere Godsdienstige Gebouwern zyn hier geene voorhanden, wyl de Roomschgezinden Ingezeetenen hier woonende Kerkelyk op Zevenhoven behooren. 

WAERELDLIJKE GEBOUWEN 

Weeten wy er geene te noemen, het Rechthuis werd in een ordinaire Herberg gehouden. 

KERKELIJKE REGEERING 

Hier onder noemen wy de Gereformeerde Kerkenraad, die te zamen gesteld word uit eene Predicant, zynde behoorende onder de Eerwaarde Classis van Woerden, en Over-Rhynland; waartoe in den Jaare 1799 is beroepen, en in den beginnen van den Jaare 1800 bevestigd is den Eerwaarde Willem Beyer, en zulks in de plaats van den Eerwaarde H.R. Schutte Repelius, welke na Cockengen en de Haar vertrokken is, voorts nog uit twee Ouderlingen en twee Diaconen, welke jaarlyksch verwisselen.

De Kerk met al wat aan dezelve behoort werd door twee Kerkmeesters bestuurd en onderhouden. 

WAERELDLIJKE REGEERING 

Voor als nog behoort Nieuwveen met den Uiterbuurt onder den Bailluw en Welgeboore Mannen van Rhynland, zo verre het Crimineele aangaat.

Met het Heem- of Waterrecht behoord hetzelve onder den Heemraadschappe van Rhynland.

De Ambachts Heerlykheid van Nieuwveen almede voorheen een Bezitting geweest zynde van de geweezene Graaflykheid van Holland, werd daaruit in den Jaare 1724 door de Stad Haarlem gekogt, voor een zomma van 15.500 Guldens stellende die Stad uit dien hoofde ook altoor een Sterfheer aan; dat het schynt dat den Uiterbuurt veel later aan die Stad gekomen is, wyl wy vinden dat in den Jaare 1745 als Heer van den Uiterbuurt bekend was, den Heer Gerrit Willem van der Laan, dan zedert hoord nu het zelve mede aan Haarlem, Nieuwveen en Uiterbuurt hebben ieder een byzondere Regeering in het Civiele, bestaande uit een Schout, en by elk een Collegie van een Municipaliteit van 3 Leden, met een Secretaris, welke te gelyk alle de Civiele Zaaken waarnemen. 

VOORRECHTEN EN VERPLICHTINGEN 

Zyn voor de Heeren deezer Ambachts-Heerlykheeden alle zodanige als aan dezelve voor als nog gelaaten zyn, voorheen telde men daar onder de aanstelling van Regeeringen, Ab- en Improbatie der Predicanten enz., en de begeving van onderscheidene Ampten.

Aan de Schouten van Nieuwveen en Uiterbuurt, met de Respectieve Ambachts-Bewaarders, stond de aanstelling van Schoolmeester, Koster en Voorzanger.

In den jaare 1364 wierden er twee verklaaringen gepasseerd waarby die van Nieuwveen en Calslagen aantoonden, dat zy lang te vooren, hadden gekocht van Willem van Amstel, Proost van St. Jan, en van zyn broeder Gysbert van Amstel, een vrye Watergang door Amstelland tot door Amsteldam, waarop in dezelve Jaare op St. Pieters Avond,  Hertog Albregt van Beyeren, het Voorrecht bekrachtigd, en haar als voore Dyk en Sluis vry gesteld heeft.

Den 1 Mey 1629 werd by de Schouten van Nieuwveen, Uiterbuurt en Calslagen, met de Moolemeesters van de Oost- en Westeindensche Polders een ordonnantie gemaakt, en aan Bailluw en Welgebooren Mannen van Rhynland ter Approbatie gezonden, welke dezelve op den 11 December daarenboven veranderde in een Keure, waarby aan elk en een Iegelyk het Visschen verboden werd, van den 12 April af tot aan St. Jacob, houdende wyders nog verscheiden bepaalingen daaromtrent ten opzichten van den tyd der Vrydom gemaakt, gelyk ook daarby meede geordonneert werd dat van den tyd af dat het Kooren gezaaid is tot dat het zelve binnen gehaald was, de Eenden te moeten ophokken, alles op different bepaalde Boetens.

Den 4 September 1638 gaven Dykgraaf en Hoog-Heemraaden van Rhynland een Keure, waarby dezelven ten verzoeke van den Schouten van Nieuwveen, en den Uiterbuurt, met de Mollemeester van de Oostender Polder, wel scherpelyk verbieden, dat niemand ingezeetene nog Vreemdeling de Vaart van de Nieuwveensche Dyk af, Noordwaards op tot aan den Drecht toe, voortaan met eenige Schepen, Schuiten of Schouwen mag bezeilen op een Boeten van drie Guldens.

Gelyk meede vroeger en laater meer andere Keuren en Ordonna den door het het Dyk-Collegie ten behoeve van Nieuwveen en den Uiterbuurt gemaakt zyn. 

De BEEZIGHEEDEN 

Zy hier gelyk de naam genoegzaam aantoond, hoofdzaakelyk de Veendereyen, verder gedeeltelyk den Landbouw, benoodigde Handwerken, Winkels enz, zynde na maate de groote van het Ambacht vry wel bestaande. 

Aangaande de GESCHIEDENISSEN

Weten wy niets hoe genaamd op te geven; zo min als van de 

BIJZONDERHEEDEN 

Waartoe wy hier alleen maar kunnen aanwyzen, de fraaie Kerk met de vrolyke geleegenheid des Dorps zelve. 

REISGELEEGENHEEDEN 

Zyn de gewoone Dorp Marktschuiten, op Leyden, Amsteldam en andere Plaatze, en terug onder de 

HERBERGEN EN LOGEMENTEN 

Is als de voornaamste te noemen het Rechthuis.

 

 

 

 

 

 



Reactie plaatsen




bijlage of video toevoegen





Houd mij op de hoogte van reacties op mijn inzending

Ik ga akkoord met de voorwaarden

* Verplicht invullen

Zoeken

Plaats

Steden en dorpen

Terug naar

Steden en dorpen

Koninklijke Vereenigde Tapijtfabrieken MoordrechtTer Aar in de negentiende eeuwHuibertus Johannes LemkesNederlands-Indië monument Alphen