De vindplaats
In 1955 verscheen van de hand van Ph.J.C.G. van Hinsbergen
de inventaris van het archief van de gemeente Nieuwkoop over de
periode tot 1936. Het eerste gedeelte van de inventaris beschrijft
de stukken die behoren tot het ambachtsarchief en beslaat de
periode van de zestiende eeuw tot 1811. Dit archiefgedeelte bevat
onder inventarisnummer 126 een Lijst van de namen der personen
die aangeslagen zijn in de belasting op het gemaal in het lager
kwartier van Rijnland. In deze lijst waren opgenomen de
ambachten Alkemade, Esselickerwoude, Rijnsaterwoude, Vrijhoeven,
Vriesekoop, Leimuiden, Achttienhoven, Schoot, Kalslagen, Nieuwveen
en Uitterbuurt, Aalsmeer, Kudelstaart, Zevenhoven en Noorden,
Nieuwkoop en Noorden, Aarlanderveen en Langer- en Korter Aar. Van
Hinsbergen dateerde het deel op ongeveer 1670. De datering is niet
juist, want het kohier werd opgemaakt in 1680.
Waarom het kohier in het archief van Nieuwkoop berust in niet
duidelijk. Misschien heeft de opsteller in dit ambacht
gewoond.
Het register bleef lange tijd min of meer onopgemerkt. Door recent
onderzoek werd het echter "herondekt" en bleek het een unieke bron
te zijn voor de beroepsstructuur en de sociale structuur in de
ambachten in het Laag kwartier van Rijnland. Daarbij bleek ook dat
het Streekarchief Hollands Midden te Gouda eveneens beschikt over
een kohier op het gemaal uit 1680. Dit kohier heeft betrekking op
het platteland rond Gouda. Het Goudse exemplaar is echter een
afschrift van de originele lijst en verschilt daardoor iets van het
"Nieuwkoopse" kohier. Beide kohieren werden aangelegd om te dienen
als hulpmiddel bij het innen van belasting op het gemaal.
De aanleiding tot het aanleggen
In 1672 raakte de nog jonge Republiek van de verenigde
Nederlandse gewesten verwikkeld in een oorlog tegen de Franse
Zonnekoning Lodewijk XIV. Hoewel de oorlog in de jaren daarna ten
gunste van de Republiek keerde, bleef de financiële positie van de
gewesten slecht. Het gewest Holland, dat het grootste gedeelte van
de oorlogskosten van de Republiek moest bijdragen, trachtte onder
meer in 1680 in de financiële nood te voorzien door het verhogen
van de belastingen op bijna alle levensmiddelen en dagelijkse
verbruiksgoederen, zoals tarwe, gerst, haver, boekweit, brood,
beschuit, koeken, zout, zeep, stijfsel en turf. Gelijktijdig werd
besloten de impost op het gemaal voor het gehele platteland van
Holland en West-Friesland met een derde deel te verhogen. De impost
zou geheven worden bij wijze van hoofdgeld, dus op basis van het
aantal personen.
Aan ieder huishouden werd een formulier verstrekt waarop elk
gezinshoofd het aantal tot zijn huishouding behorende personen
moest invullen, inclusief inwonend personeel. Aan de hand van de
biljetten werden lijsten opgemaakt waarvan het dubbele exemplaar op
de secretarie van de verschillende dorpen en steden ter inzage werd
gelegd. Op deze manier werd fraude tot een minimum beperkt, ook al
omdat degene die een onjuist (lees: te laag) aantal personen opgaf,
zou worden bestraft met een geldboete. De aanbrenger van de fraude
zou van de boete de helft ontvangen.
Het dubbele exemplaar mocht echter geen aanduiding bevatten van de
welstandsklasse van de huishoudens. Hierdoor weten we dat het
Goudse exemplaar het dubbel opgemaakte is en het Nieuwkoopse
exemplaar het origineel. De kohieren berusten niet in het archief
van de Staten van Holland, waar ze eigenlijk verwacht zouden mogen
worden. De oorzaak hiervan is voor het Nieuwkoopse exemplaar
duidelijk: het is nooit ingeleverd. Ook het Goudse exemplaar is
blijkbaar nooit ingeleverd. Ondanks het feit dat de kohieren met
grote nauwkeurigheid zijn aangelegd, is de belasting door
tegenwerking van de steden, nooit geheven. Het niet inleveren van
de kohieren bij de Staten van Holland kan hiermee dus verklaard
worden.
De inhoud
Per ambacht geeft het kohier een opsomming van de namen
van de gezinshoofden, hun beroep en het getal "personen" op basis
waarvan de belastingaanslag werd vastgesteld. Dit getal werd
gebruikt als rekeneenheid voor de omslag. Uitgangspunt was dat de
impost op het gemaal vastgesteld werd op het verbruik. Een persoon
ouder dan tien jaar werd geacht één zak koren te verbruiken, voor
kinderen tussen tien en vier jaar oud werd het gebruik gesteld op
een halve zak, terwijl kinderen onder de vier jaar van de
quotisatie werden vrijgesteld. Een huishouden bestaande uit vader
(1 zak koren), moeder (1 zak koren), kind van acht jaar oud (1/2
zak koren) kreeg hierdoor in de kolom aantal personen, de
aanduiding 2 ½.
Het is duidelijk dat door de gebruikte telling de bron geen exacte
informatie geeft over het aantal leden waaruit een huishouden
bestond. Zo kan een willekeurig huishouden met het aantal 5½,
bijvoorbeeld bestaan uit een vader, moeder, drie kinderen ouder dan
tien jaar en één kind tussen tien en vier jaar oud (totaal dus zes
personen). Het kan ook bestaan uit een vader (weduwnaar), één kind
ouder dan tien jaar, vijf kinderen tussen vier en tien jaar oud,
drie kinderen jonger dan vier jaar en een inwonende dienstbode
(totaal dus 11 personen).
Ook over de aanwezigheid van het aantal inwonende personeelsleden
is de bron onduidelijk.
Het aantal huishoudens per ambacht is op basis van het kohier wel
exact vast te stellen. Per ambacht zijn de huishoudens gerangschikt
op volgorde van welstandsklasse. De vijf klassen werden aangeduid
als kapitalisten, halve kapitalisten, kleine getaxeerden,
arbeiders en onvermogenden en armen en van de aalmoezen
levenden. Een enkele keer wordt een huishouden overgebracht
van de ene naar de andere (altijd een hogere) vermogensklasse. De
opsteller voerde overigens ook de term kwart kapitalist
in. Slechts in de lijst van Aarlanderveen zijn aantekeningen
gemaakt met betrekking tot oppositie tegen de aanslag. In de marge
van die lijst vindt af en toe de vermelding nota
opgenomen. De betekenis daarvan is niet duidelijk.
Een belangrijke mogelijkheid voor nader onderzoek vormen de
aanduidingen van de inkomstenbron van de hoofden van de
huishoudens. De aanduiding arbeiders in de hoofden van de
pagina's met de opsomming van de huishoudens in de twee laagste
klassen moet wellicht met enige reserve worden benaderd omdat bij
vergelijking met andere bronnen soms blijkt dat aangeslagen
arbeiders soms een ander (deel) beroep uitoefenden. De
gegevens uit het kohier zijn geplaatst op de website van de Groene
Hartarchieven. Via zoeken in
gegevensbestanden, Voorouders, zijn de gegevens te
vinden.
A.J.J. van 't Riet
Archief:
Literatuur: