De heerlijkheid Voshol bestond uit de ambachten Zwammerdam, Reeuwijk en Ter Aar. Voshol wordt al vanaf de dertiende eeuw in de bronnen vermeld, maar was waarschijnlijk toen nog kleiner in omvang; 's Gravenbroek en Ter Aar zijn later in de heerlijkheid opgenomen. Vanaf de veertiende eeuw was Voshol in handen van de heren van Brederode. In de zeventiende eeuw erfde Adriana Francisca, dochter van Reinout van Brederode en Helena van Manderscheid, Voshol. De afstammelingen uit de rechte lijn vochten dit aan en kochten Adriana af in 1620 voor 36.000 gulden.
De hoofdtak van de heren van Brederode stierf uit in 1679, waarna de heerlijkheid toekwam aan Amelia Wilhelmina van Brederode. Zij was getrouwd met Armand de Caumont. Zij schonken Voshol vervolgens aan hun dochter Amelia. Amelia en haar man William Paulet verkochten Voshol in 1710 vanwege financiële problemen aan Cornelis van Aerssen. Nadat Cornelis van Aerssen de slechte financiële situatie van het ambacht Ter Aar had verholpen, schonk hij Voshol aan zijn zoon Cornelis bij het huwelijk met Anna Albertina van Beijeren. Vervolgens ging Voshol over aan diens zoon, Albert Nikolaas van Aerssen Beijeren. Na zijn dood in 1805 is de heerlijkheid Voshol uiteindelijk verkocht aan Gerard Johannes Beeldsnijder, die zich later 'van Voshol' ging noemen. Hij verkocht in 1834 Reeuwijk als afzonderlijke heerlijkheid. In 1839 verkocht hij de rest, maar behield de titel Heer van Voshol.
Literatuur: