Het Aardrijkskundig Woordenboek van A.J. van der Aa en
de kaart van J. Kuyper geven samen een beeld van Alphen halverwege
de negentiende eeuw. Het door Kuyper getekende gedeelte van dat
beeld geeft de negentiende eeuwse werkelijke situatie weer. Voor
sommige gemeenten geldt zelfs dat de grenzen sinds die tijd vrijwel
ongewijzigd zijn gebleven.
De beschrijving die Van der Aa geeft van de negentiende-eeuwse
situatie kunnen we eveneens beschouwen als correct. Dan kan niet
altijd gezegd worden van de historische gegevens die in de
beschrijvingen zijn opgenomen. De tekst moet daarom worden
beschouwd als de interpretatie van de negentiende-eeuwse
amateur-historicus. Voor een juiste historisch overzicht is het
nodig ook andere bronnen te raadplegen.
Klik
hier voor nadere informatie over Van der Aa en Kuyper.
De tekst is, met aanpassing van de spelling, zoveel mogelijk in de
oorspronkelijke stijl overgenomen. Een enkele fout in de tekst is
stilzwijgend verbeterd. Aanvullingen en opmerkingen zijn tussen
haakjes met een n.b. opgenomen.
ALPHEN, dorp en kanton hoofdplaats in Rijnland, provincie
Zuid-Holland, arrondissement en 51/2 uur noordoost van
's-Gravenhage, gemeente Alphen en Rietveld, 3 uur oost van Leiden,
3 uur west van Woerden, op de hoge Rijndijk en langs de linkeroever
van de Oude Rijn, waarover een ophaalbrug ligt, door welke het
gemeenschap heeft met de Aarlanderveense Rijnbuurt, die meestal,
ofschoon ten onrechte, tot dit dorp gerekend wordt, waartoe zij
alleen kerkelijk behoort.
Het ligt 52°7'7" noorder breedte, 22°19'52" ooster lengte. Men is
algemeen van gevoelen, dat het op de oude reiskaarten voorkomende,
Albimana of Albiniana, elders Alpheni Castra genoemd, hier omtrent
gestaan en dat dit dorp hiervan zijn naam ontleend heeft. Minder is
men het er over eens wat het geweest is, want aangezien uit een
steen, onder Alphen opgedolven, met het opschrift: "Leg. I",
blijkt, dat het eerste legioen, het Minervische genaamd en hetwelk
door Domitiaan opgerigt is, daar gelegen heeft, houden enigen het
voor een wapenhuis; terwijl anderen beweren, dat het een
korenmagazijn geweest zij, en voeren tot staving van hun gevoelen
aan, dat men hier, bij het omspitten van de grond van een burcht,
behalve vele Romeinse gedenkpenningen, ook hard gezengde en half
verbrande tarwe gevonden heeft. Wat hiervan zij, de oudheid dezer
plaats wordt ten volle bewezen uit een oude vervallen put, vroeger
achter zeker huis in de Papestraat te zien, welke van hetzelfde
maaksel was, als die welke men te Leiden vindt, en alzo meer dan
2000 jaren oud moet geweest zijn, ter welker plaatse men in het
begin der vorige eeuw, ruim 400 penningen van allerlei munt
gevonden heeft. Ook heeft men in een ander daar tegenover staand
huis, ten minste 7 voet onder de grond, een oude kelder ontdekt, in
welke men, nadat het gewelf met geweld doorbroken was, enige
schoenen van een spits fatsoen, zoals de Romeinen gewoon waren te
dragen, gevonden heeft.
Alphen is een zeer vermakelijk en welvarend dorp en een der
grootste van geheel Holland, dat veel van zijne levendigheid te
danken heeft aan de gestadige doortocht, van grote en kleine
vaartuigen, welke dagelijks de Rijn op- en afvaren, en van
rijtuigen, die hier meestal pleisteren. Sedert het jaar 1680 is
deze doorvaart nog merkelijk vermeerderd, door het uitdiepen van de
Rijn; want voor dien tijd gebeurde het dikwijls, dat een menigte
vaartuigen, aan de Rijnbrug, naar hoog water moesten blijven
wachten.
De tijd wanneer de eerste christen-kerk te Alphen gesticht is, kan
niet worden nagegaan; vrij waarschijnljk is het echter, dat dit
reeds zeer vroeg, na de eerste prediking van het christendom hier
te lande, heeft plaats gehad. De kerk, die hier tijdens de
kerkhervorming stond, was toegewijd aan de heilig Bonifacius, wiens
afbeeldsel er ten toon pleeg te staan. Behalve het hoge altaar, had
zij er nog een van de heilige maagd, waarin eene kapelanie, of
altijddurende vikarie was gesticht. Deze stichting, die door David
van Bourgondie, vijf en vijftigsten bisschop van Utrecht,
goedgekeurd was, is 30 October 1556, op het verzoek van Nicolaas
van Alphen Nicolaasz., door Georgius van Egmond, de zestigsten
bisschop van Utrecht, nader bevestigd. Dit oude kerkgebouw moet van
een aanzienlijke grootte geweest zijn, en daarvoor moet een zware
en zeer hoge toren gestaan hebben. Deze toren, die vierkant opging,
tot binnen de klokkenzolder, en aldaar een balustrade had, boven
welke wederom een spits uitstak, werd door de Spanjaarden van alle
de ankers en al het ander ijzerwerk beroofd, en daardoor zodanig
verzwakt dat hij bij gebrek aan de nodige voorzorg, in de maand
april 1580 geheel instortte, zonder dat evenwel iemand daarbij
omkwam. Behalve met deze, prijkte dit gebouw met een niet onaardig
spits torentje van een klok voorzien. De pastoor van deze kerk werd
door de abt van St. Paulus abdij te Utrecht aangesteld, en het
kostersambt door de graaf van Holland begeven. Deze kerk brandde in
1618, nadat zij reeds een geruime tijd bij de hervormden in gebruik
was, geheel af, en spoedig daarop werd de tegenwoordige gebouwd,
die een kruiskerk en geheel door de gemeente bekostigd is.
Vrijwillige inschrijvingen daartoe bedroegen 19.576 gulden en 18
stuivers, naderhand heeft men nog 23.789 gulden over de gemeente
omgeslagen. Op het midden van het kruis staat een klein, maar
sierlijk spits torentje, van uur- en slagwerk voorzien, en van
binnen pronkt zij met koperen kronen en een voortreffelijk orgel,
dat er in 1815 geplaatst is.
De burgerij heeft in het jaar 1722 aan de kerk drie zilveren
schotels en vier bekers vereerd, om bij de viering van het Heilig
Avondmaal te gebruiken, ook ziet men er de sierlijke grafplaats van
de heren en vrouwen van Alphen, in een kapel besloten; buiten de
kerk ten zuiden de grafplaats van de familie Coster, en daar binnen
ligt de verdienstelijke dichter en edele mensenvriend Jan Leonard
Nierstrasz begraven, op wiens grafsteen het volgende vierregelig
vers, van den dichter H. Tollens Cz. , te lezen staat:
't Is Nierstrasz, die hier rust: in 's levens bloei ontslapen, Siert hem de kroon der braafheid vroeg; Geen lofdicht siert zijn' graf, geen lauweren, geen wapen, Zijn wandel is hem lofs genoeg.
De Hervormde gemeente van Alphen werd (volgens de Geschiedenis
der Nederlandsche Hervormde kerk door A. Ypeij en I.J. Dermout) in
vereniging met die van Oudshoorn in het jaar 1587 tot stand
gebracht door de derwaarts beroepen predikant Franciscus Pythius,
hoewel het schijnt, dat zekere Wouter Evertz reeds vroeger aldaar
het predikambt bekleed heeft, misschien dat er toen nog geen vaste
gemeente bestond. Thans behoort deze gemeente tot de classis van
Leiden, ring van Alphen, telt 2.800 zielen; van welke 900 in de
Aarlanderveense Rijnbuurt wonen, en heeft één predikant, die door
de kerkeraad beroepen wordt; maar van dit beroep moet worden kennis
gegeven aan de ambachtsheer. Vroeger nam de pastoor van
Aarlanderveen hier de dienst waar, zoodat er reeds in 1457 of
daaromtrent een kerk moet hebben gestaan, maar sedert het jaar 1795
heeft Alphen een afzonderlijke statie die tot het aartspriesterdom
van Holland- en Zeeland, dekenaat van Rijnland, behoort, ongeveer
800 zielen telt, en door één pastoor bediend wordt. De kerk is, in
1824, in een goede stijl gebouwd, zij munt vooral van binnen door
sierlijke eenvoudigheid uit. Ook is hier een koninklijke
paardenposterij, een postkantoor, een weeshuis, een dorpschool met
ruim 200 leerlingen, een onlangs opgerichte kostschool voor jonge
heren, en een jonge juffrouwenschool met 25 à 30 leerlingen.
Voorheen stond hier ook een waag, waartoe het recht reeds vòòr 200
jaren aan dit dorp verleend werd; later werd zij echter naar de
Aarlanderveense Rijnbuurt overgebracht.
Het was vroeger een afzonderlijke heerlijkheid, die later met
Rietveld, verenigd schijnt. Van het geslacht der oude heren van
Alphen, heeft men weinig zekerheid; alleen vindt men dat Hugo van
Kralingen, die in 1230 baljuw van Holland was, stamheer van dit
huis geweest is, en dat verscheide heren van Alphen 's lands Graven
gediend hebben, tot in het jaar 1484; terwijl onderscheidene latere
afstammelingen van dit geslacht, zo in de geleerde, als in de
staatkundige wereld, beroemd geworden zijn. Zij voerde hetzelfde
wapen dat nog aan de gemeente Alphen en Rietveld eigen is.
Alphen heeft van de vroegste tijden af rijkelijk zijn aandeel in de
geschiedenissen gehad; want reeds in de dagen, toen de Denen en
Noormannen deze landen afliepen, moest ook deze plaats het droevig
lot van geroofd en geplunderd te worden, ondergaan. Vrouw Jacoba
van Beijeren, die door haar neef Philips van Bourgondië te Gent
gevangen gehouden werd, omstreeks het jaar 1424, in manskleederen
ontsnapt zijnde, werd bij haar verschijning, in de Hoekse steden
Schoonhoven, Gouda en Oudewater, als gravin erkend, waarop de
bisschop van Utrecht mede hare zijde koos.
Nu verzamelden de Kabeljauwsen een menigte volk bijeen en begaven
zich naar Alphen om de gezegde steden aan te tasten, maar Jacoba
viel hen, aan het hoofd van die van Gouda en andere Hoeksgezinden,
21 October 1424, hier zo geducht op het lijf, dat zij, na een hevig
gevecht, de overwinning behaalde en bovendien de banieren van
Leiden, Haarlem en Amsterdam veroverde. Daarna door de steden
Schoonhoven, Gouda, Oudewater en een aantal Stichtsen ondersteund,
sloeg zij het beleg voor Haarlem. De hertog van Bourgondië zond
hierop enige troepen af om de benarde stedelingen te ontzetten en
tevens om de Goudse sluis te stoppen, ten einde hierdoor aan Jacoba
en de haren de aftocht naar Gouda te beletten. Maar de gravin in
tijds van den aanslag onderricht zijnde en tevens, dat haar
vijanden reeds tot Leiden genaderd waren, brak heimelijk het beleg
voor Haarlem op en sloeg zich met haar leger te Alphen neer, waar
de Kabeljauwsen, onder aanvoering van Jan van Uitkerken, wiens
vader bevelhebber van Haarlem was, op de laatste april zo rauw
ontvangen werden, dat zij na een langdurige en hardnekkige strijd,
waarin vrouw Jacoba zelf de haren aanvoerde, met groot verlies op
de vlucht geraakte en tot voor de poorten van Leiden vervolgd
werden, van welke stad alleen vijf en tachtig burgers op het
slagveld bleven; waaruit men kan opmaken hoeveel er in het geheel
gevallen zijn, hetgeen dan ook door sommigen op wel 300 begroot
wordt.
In 1485 geraakten de Kabeljauwsen onder Johan van Ranst, markgraaf
van Antwerpen, hier weder slaags met de Hoeksen onder Reinier van
Broekhuizen; welke laatste op de vlucht gedreven werden.
Toen de Spanjaarden in 1573 het beleg van Leiden overnamen, wierpen
zij te Alphen een verschansing op, die zij echter bij het naderen
van graaf Lodewijk van Nassau weer moesten verlaten, waarop deze
verschansing geheel vernietigd werd. Maar in het volgende jaar kwam
de vijand terug, na het verslaan der hier liggende Staatse troepen,
het dorp weer in en wierp de verschansing andermaal op.
Een zware brand, die hier ten jare 1619 in een oliemolen
uitbarstte, verspreidde zich zuid- en noordwaarts zo fel, dat in
weinig tijd niet alleen de molen, maar ook de fraaie kerk en bijna
het gehele dorp aan kolen gelegd werd. Door deze brand, alsmede
door de toen plaats gehad hebbende overstromingen, het gedurig
doortrekken van krijgsvolk en het sterke deel, hetwelk dit dorp
genomen had in toerustingen tot een tocht buiten Utrecht, was de
gemeente zo fel geteisterd, dat zij aan de Staten verzocht, om voor
een jaar vrijgesteld te worden van de opbrengst harer belastingen,
zijnde de ingezetenen daardoor nauwelijks in staat om het nodige
tot herbouw der kerk en afgebrande woningen bijeen te
brengen.
Omstreeks honderd jaren daarna, namelijk op 5 september 1716,
onstond er anderwerf een zware brand in de grutterij van het dorp,
die almede tot onderscheidene andere gebouwen oversloeg en alzo 25
huizen vernielde.
Bij het doortrekken van het vliegend legertje, in de woelzieke
dagen van het jaar 1787, vielen te Alphen, waar de partijen zeer op
elkander verbitterd waren, grote onaangenaamheden voor, die tot
spoorbijstere uitersten oversloegen, welke in hoge mate ten huize
van de heer de Superville gepleegd werden. Na de verandering van
zaken in dat jaar, strekte Alphen voor een korte tijd aan de hertog
van Brunswijk ten hoofdkwartier, waar hem een bezending uit hun
Hoog Mogenden, bestaande uit de heren van Spaen van Hardestein en
Wassenaer van Spanbroek, kwamen bedanken voor de betoonde
inschikkelijkheid om geen krijgsvolk meer naar 's-Gravenhage te
zenden.
Toen in het jaar 1813, na het vertrekken van de zogenaamde gardes
d'honneur, de gehuwden tot leden der Nationale garde bestemd, en
zodanig opgeschreven werden, waardoor men voor uittrekken begon te
vrezen, waren het vooral de inwoners van Alphen, Oudshoorn en
Aarlanderveen, die, in een vlaag van wanhoop, tegen deze maatregel
opstonden, de lijsten der krijgsopschrijving verscheurden en zelfs
op Leiden aanrukten, waar het gemeen hun de poorten opende, maar
ook weldra door onbesuisde handelswijze toonden, zonder een
welberaden aanvoerder, geheel plan- en doelloos te werk gaan, zodat
de landlieden, na een kort verwijl, de stad verlieten, terwijl een
enkele hunner later deze daad van wanhoop met zijn hoofd boeten
moest. Op het einde van dat jaar was dit dorp de eerste plaats in
ons vaderland, waar de Oranje vlag op de toren werd gehesen.
Alphen wordt gezegd, de geboorteplaats geweest te zijn van de
vermaarde historieschrijver Willem Heda. Hij was geheimschrijver
van keizer Maximiliaan en werd door hem in gezantschappen gebezigd.
Nadat hij het geestelijk gewaad had aangetrokken, werd hij proost
en aartsdeken te Arnhem en naderhand verheven tot deken van de
proostdij van St. Jan te Utrecht. Hij overleed te Antwerpen in
1625, na het leven van der Utrechtse bisschoppen tot het jaar 1524
beschreven te hebben. Ook woonde hier weleer zekere Gideon van
Jaarsveld, die muntmeester van West-Friesland geweest is en door
wie de scheepjesschellingen in 1679 gemunt zijn.
ALPHEN EN RIETVELD, gemeente provincie Zuid-Holland,
arrondissement 's Gravenhage, kanton Alphen, palende noord aan de
Rijn, die het van Oudshoorn en Gnephoek en Aarlanderveen scheidt,
oost aan Zwammerdam, zuid aan Boskoop en Hazerswoude en west aan
Koudekerk.
Zij wordt verdeeld in 5 wijken, als: Steekt, Gouwsluis, het Dorp of
bestrate gedeelte, Hoorn, ook genaamd Alpher-Hoorne, en Bontepaal
en bevat, behalve het dorp Alphen, de polders: Grooten-Polder of
Achter-de-Kerk en Zanen, Rietveld, de Nesse, Steekt en Rijneveld.
Ook ligt nog onder deze gemeente de Gouwse sluis en een gedeelte
grond de Hooge Burgt genaamd. Vroeger stonden hier de adellijke
huizen het Hof-van-Alphen, het-Huis-te-Leeuwen, Brittenrust en
Langeroode. Thans vindt men nog de buitenplaatsen
Nieuw-Brittenrust, Grijpestein en Randwijk. De oppervlakte der
gehele gemeente beslaat 2.310 bunder 30 vierkante roeden 34
vierkante ellen gronds en men telt er ongeveer 2.800 inwoners, wier
voornaamste middelen van bestaan zijn: landbouw, handel in boter en
kaas en enige fabrieken, zijnde 1 steenbakkerij, 4
pannenbakkerijen, 1 fabriek van beenzwart, 1 kaarsenmakerij, 1
vernisfabriek, 1 kalkbranderij, 1 bierbrouwerij, 1 korenmolen, 1
grutterij, en 1 houtzaagmolen. Vòòr enige tijd waren hier nog een
jeneverstokerij en een blauwselfabriek, die echter niet meer in
werking zijn; veel vroeger moeten hier ook pijpenmakerijen zijn
geweest, maar deze hebben sinds een aantal jaren opgehouden te
bestaan.
Er zijn in deze gemeente 1 Hervormde kerk, 1 Rooms-katholieke kerk,
3 scholen, een afdeling van het Nederlandsch Bijbelgenootschap met
50 leden, en met Oudshoorn een departement der Maatschappij Tot nut
van 't algemeen, dat 23 januari 1809 opgericht is, en 60 leden
telt.
De Heerlijkheid Alphen en Rietveld is in het jaar 1745, door de
heer Jakob van den Meer, voor een som van 58.000 gulden verkocht
geworden aan Catharina de Wilde, weduwe van Abraham Jozua
Braconier, predikant te Utrecht, en wordt thans in eigendom bezeten
door de heer Theodorus Pieter Baron de Smeth van Alphen, kamerheer
van Zijne Majesteit en lid van de Ridderschap van Holland te 's-
Gravenhage.
Het wapen van deze gemeente is een zwarte ster met acht
straalpunten, op een zilver veld.
Literatuur: