tba97

Alphen aan het einde van de achttiende eeuw volgens Van Ollefen en Brouwer

Lieve van Ollefen werd geboren in Amsterdam op 13 oktober 1749. Van Ollefen was een bekend broodschrijver die veel geschreven heeft in opdracht van uitgevers en boekverkopers. Hierdoor heeft hij een zeer uiteenlopende productie gehad. Zo schreef hij als poëzie bijvoorbeeld het in 1784 verschenen De wereld is geen tranendal in vier zangen. Daarin werd betoogd dat een vroom christen op aarde veel genieten mag. De Synode van Amsterdam veroordeelde het stuk als "hoogst schandelijk". Hij schreef werken met een pedagogische bedoeling en vervaardigde stukken voor het toneel, soms met een politieke strekking, zoals Het revolutionaire huishouden, in mei 1798 toen hij gevangen zat. Het handelde over de emancipatie der vrouw. Zijn bekendste werk is het met R. Bakker uitgegeven De Nederlandsche stad- en dorpbeschrijver. Hoe de werkverdeling tussen Bakker en Van Ollefen is geweest, is niet duidelijk.

Van Van Ollefen wordt gezegd dat hij een veelzijdig man was, maar iemand "bij wie de diepte gewoonlijk in de breedte verloren ging". Hij overleed in het werkhuis in zijn geboorteplaats op 16 juni 1816.

De Nederlandsche stad- en dorpbeschrijver verscheen tussen 1791 en 1811. Het werd uitgegeven door H.A. Banse in de Stilsteeg in Amsterdam. Het werk bestaat uit verschillende delen. Deel VIII beschrijft de dorpen in Rijnland. Het titelblad van dit deel vermeldt als auteur alleen Rs. Bakker. Een heruitgave van het werk verscheen in 1976 bij de Europese Bibliotheek in Zaltbommel.

De bekende ovale gravures voor De Nederlandsche stad- en dorpbeschrijver  werden gemaakt door Anna Catharina Brouwer. Van haar is weinig bekend. Waarschijnlijk was zij een dochter van Cornelis Brouwer, die in Amsterdam plaatsnijder was. Hij graveerde boekillustraties, portretten en historieprenten. Anna Brouwer maakte de gravures in de periode 1793-1801. De gedichtjes onder de gravures zijn waarschijnlijk van de hand van Van Ollefen.

Bron: Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek II (Leiden 1912) 257, 259; en VIII (Leiden 1930) 1236.

Anna Brouwer heeft met haar graveerpen de achttiende-eeuwse werkelijkheid nauwkeurig weergegeven. Datzelfde geldt waarschijnlijk voor de door Van Ollefen gemaakte beschrijvingen van de situatie van dat moment in de dorpen. Dit kan niet altijd gezegd worden van de historische gegevens die in de beschrijvingen zijn opgenomen. Voor een meer correcte historisch beschrijving is het daarom nodig ook andere bronnen te raadplegen.

In onderstaande transcriptie is de oorspronkelijke stijl ongewijzigd. Opmerkingen over het geschrevene zijn tussen haakjes met een n.b. opgenomen.

 

AMBACHTSHEERLIJKHEID VAN ALPHEN

Dit dorp dat de Hoofd-Beschrijving van dit ons nieuw begonnen Deel der Nederlandsche Stad en Dorpbeschrijver uitmaakt: verdient in verscheidene opzichte meer in aanmerking te koomen, dat menig Stad in ons Vaderland. Niet ten onrechte zegt daarom den bekende Schrijver P. Plemper, zijne Beschrijving van dit Dorp beginnende: "Alphen legd in het gewest en hart van Rhijnland,daar het Leyden alleen de Eere laatende om de Steede-Kroon van dat Landschap te dragen, in een kring van zestig aanzienlijke Nabuurvlekken, als een Dyamant in Goud bezet, voor Dorps-Koninginne kan Speelen, binnen en buiten gestoffeert zijnde met zulk een Majesteyt van Veld-Sieraaden, en Water-Vermaakelijkheden, dat men ten dien opzichten naeuwelijks zijns gelijken zou kunnen vinden"

Zeggende verder in zijne Voorreede van deze zijne Beschrijving: "Een Dorp dat zo door reisd word te Water en te Land komt ons in de gedagten niet."

Alphen dat dus ongetwijffeld als een Hoofd-Dorp voor dit ons achtste Deel pronken mag; is niet alleen vermaard; om deszelfs gelegenheid, maar ook is hetzelve algemeen van oudsher geacht om zijn Ouderdom: zijnde waarschijnlijk zo oud in deszelfs oorsprong, dat de geheugenisse daar van niet meer te vinden zijn. Hier van getuige de menigte van, bij onderscheidene keeren gevondene Oudheeden, Penningen en andere stukken. Ook getuige hier van een oude vervallene Put, achter een Huis in de zogenaamde Pape-Straat even als die welke men te Leyden op de Burgt vind: die dus meede meer dan 2000 Jaaren oud is; ter welke plaats in den begin van de nu gepasseerde Eeuw, bij een afdelving ruim 400 Zilvere Penningen van allerlei Munt gevonden wierden.

In een ander Huis daartegen over in gemelde Straat, wierd meede bij eene afdelving ten minste 7 voet onder de grond een oude Kelder ontdekt: waar van het verwulf met geweld opengebrooken zijnde, ontdekte men eenige Schoenen van een Spits fatzoen, even zo als de Romeinsche Helden in oude tijden gewoon waren te draagen: behalven dit vinden wij nog aangeteekend dat in de zogenaamde Steeksche Polder nabij de Zwammerdamsche Grond een Romeinsch Gebouw heeft gestaan, waar van op zommige Kaarten de aanwijzing nog gevonden word. Dit Gebouw was bekend onder den naam van Alphen astra, dat is: Burgt te Alphen. Hetzelve was een groot Oorlogs Magazijn, welks Muuren wel een geheele Morgen Grond besloeg; bij de omdelving van welke Gronden, men mede verscheiden oude Romeinsche Penningen en eenige verzengde of half verbranden Graanen en Tarwe gevonden heeft. Zo is meede op een zekere tijd onder dit Ambacht nog een oude gebrookene Steen uit de Grond opgegraven, op welke nog zeer duidelijk de Letters Leg. I. Nº  te lezen stonden, hetwelk betekenen zouden dat dezelve van het Eerste Minervische Legioen was.

Volgens zommige zoude deeze Steen bij de Romeinen zijn gebruikt, om bij tusschenkomende gelegenheden, in welke den Regter in de Legerwijken eenige aanspraak wilden doen, ten dien einde als een soort van voet-drempel of verheeve Spreekplaats te dienen.

Voorts vind men nog aangetekend, dat hier in vroeger dagen een Albaststeen-Couleurige Doodkist is ontdekt, die uit een Rots gehouden, en bijna een hand breet dik en twee en een half el lang was; binnen in de midden en aan de Hoofd- en Voeten-eindens met eenige onkenbaare uitgesleetene Letteren en Characters beschreeven. In deze Kist hong een Lamp van roode Aarde gemaakt: welk zoort van Lampen in de Graven der oude Romeynen meer gevonden zijn geworden. Naar men meend zoude dit de Kist zijn geweest welke voor de Graftombe van den gewaande Koning Ezeloor zoude hebben gestaan. Genoeg zij dus te weeten: dat de Romeynen of haare Nabuuren alhier, eeven als op Katwijk en Noordwijk hebben gewoond. Uit deze Inleyding dunkt ons zal de Lezer genoegzaam de aloude vermaardheid van den Ambachte van Alphen kunnen opmaken; het geen nog nader blijken zal uit onze verder te doene Beschrijving, waaaromme wij dus over zullen gaan met hetzelve te beschouwen in deszelfs

LIGGING

Deze is dan in den Heemraadschappe van Rhijnland (wordende er ook nog een Alphen tusschen de Rivieren Maas en Waal gevonden,)  en wel in het midden van de voormalige Provincie Holland: waaromme men ook goedgevonden heeft het genereaale Post-Comptoir dezer Provincie alhier aante leggen, alwaar alle Midden-Nachten de posten van alle Plaatzen in  Zuid-Holland liggende, aankoomen, hunne Brieven-Maalen aanbrengen, en met elkander verwisselen, om dus vervolgens verder na hunne destinade verzonden te worden, welk Post Comptoir in  vroeger dagen, op het hier tegens overgeleegen Oudshoorn gevonden wierd.

Aleer wy nu omtrent de verdere gelegenheid des Ambachts iets zeggen, zo moeten wy hier vooraf aantekenen, dat ook hier den Rhyn door het Ambacht stroomd: even als de Vliet aan den Leydschendam; en dat dus de hooge of Zuid-zyde, Alphen en de Laage of Noordzyde Oudshoorn werd genaamd, zoals by den Leydschendam, de Zuidzyde Stompwyk en de Noordzyde Veur genaamd werd. Plemper zegt hier omtrent, dat Alphen is leggende met deszelfs Noordzyde aan Hazartswoude, alwaar den Rhyn den Alphen-Hoorn werd genaamd, en zich zodanig in Bochten kromt, dat de Scheidpaal staande op den Hoogendyk als in het Zuidwesten zich vertoond: doch dat de Huizen voorby deze Scheidpaal staande, alle onder Hazartswoude behooren. Voorts paald hetzelfve aan de Westzyde, meede aan het genoemde Hazartswoude,  en tot tegens den Lande van Boskoop. Ten Zuiden strekt zig Alphen uit tot binnen de Brug van Zwammerdam, scheidende zig op dezen wegen geheel van Hazartswoude af. Oostwaarts gaat het Ambacht langs de kronkelende-stroomen des Rhyns, langs welke aan de overzyde het Jaagpad en een fraaye Ryweg gevonden werd. In den Tegenwoordige Staat van Holland 6 Deel Pag.250 vinden wy de Legging van Alphen aldus opgegeven:

,,Alphen is een oud, vermaard en vermakelyk Dorp, geleegen aan den Hoogen Rhydyk omtrent half weegen Leyden en Woerden, op een afstand van 3486 Roeden van Leyden, 't welk 3 kleyne uuren gaans uitmaakt 472 Roeden van Oudshoorn, 2511 Roeden van Boskoop, 2926 Roeden van Hazartswoude aan den Driesprong, 1550 Roeden van den Zwadenburgerdam." Men gelieve hier nu in 't oog te houden, dat alle deeze afstanden gereekend zyn, van den eene Kerk des Dorps tot den andere, alzo zulks  anders geheel niet uitkoomen zoude met de opgave van Oudshoorn en Alphen, wyl deeze beide Dorpen door geene meerdre breedte als door die des Rhyns van elkander afgescheiden worden, en door de zogenaamde Aarbrugge zelfs met elkander vereenigd zyn.

Den zo even genoemde Tegenwoordige Staat van Holland gaat over de Legging spreekende, aldus verder voord: "De Ambachts Heerlykheid van Alphen paalt zig ten Noorden en ten Oosten aan den Rhyn, die met een Elleboog langs derzelver Grondgebied omloopt, zy is wyders belent aan de Hooge-Heerlykheden van Hazartswoude, Boskoop en Zwammerdam, in welk laaste het Regtsgebied van Alphen zig uitstrekt, tot binnen de Brug van het Dorp van dien Naam. Het eigentlyk Dorp Alphen legt alleen aan de Zuidzyde van den Rhyn, want al wat verder gewoonlyk onder den algemeene naam van Alphen begreepen word, behoort, of  onder de Ambagtsheerlykeid van Aarlander-veen, of onder die van Oudshoorn.

De geleegenheid van dit Ambacht aan den Rhyn maakt hetzelfve allerleevendigst en brengt zeer veel tot deszelfs welvaart toe, waarom den gemelden Tegenwoordigen Staat Pag. 252 aldus zegt.,, De welvaart van Alphen kan men ook toeschryven aan den Doortogt die hier dagelyks is zo van groote als van kleine Vaartuigen die van Haarlem, Leyden, Amsterdam, en verder heen door deeze Steeden, langs den Rhyn vaaren, naar  Gouda en Utrecht; waarby men ook nog voegen kan, de meenigte Trekschuiten die altoos hier aanleggen, en de Rytuigen die niet alleen doorryden, maar meerendeels Pleysteren.

,, Zedert den Jaare 1680 heeft Alphen nog ruim zo veel Doortogt gekreegen door het verdiepen van den Rhyn, want voor dien tyd gebeurde het dikwils dat heele Vlooten van Vaartuigen aan den Rhynbrug, naar hoog water moesten wagten."

Het verdiepen van den Rhyn, waarvan hierboven gesprooken werd, geschiede in den Jaare 1660, en wierd bekostigd door de beide Ambachten van Alphen en Oudshoorn, zo als de verdere onderhouding daarvan mede voor haare Rekening is. Om egter deze zwaare kosten goed te kunnen maaken, heeft men eene soort van belasting gesteld op alle de Schepen of Vaartuigen die hier ter plaatse den Rhyn paseeren, welke belasting bekend is onder den naam van Loozgeld, en zodanig gesteld is, dat elk Vaartuig ten hoogsten niet meer dan 12 stuivers voor deze passagie behoeft te betaalen, en die aldus 's jaarlyks verpacht word; uit welke geringe betaling egter een zeer goede verbetering voor de beide Ambachten gedaan is en onderhouden word.

Een tweede verbetering aan Alphen's geleegenheid was dat men in den Jaare 1660 mede goedvond een Canaal agter om het Dorp te graven, om alzo den geweldigen stroom van den Rhyn, zo veel mogelyk in deszelfs kracht te breeken die zomtyds hier, zo met het water uit de Meiren als uit den Yssel en de Polders, zo sterk geperst en voorgedrongen wierd, dat geen Vaartuig in staat was daar tegens op te koomen.

Dit Canaal dat met zyn byde armen het gantsche Dorp omvat loopt van hier door 2 steene Bruggens in den Rhyn die byde bekostigt zyn, en onderhouden worden, voor twee derde parten door de stad Woerden en voor het overig derde deel door Heemraaden van Rhynland. De reeden nu waarom Woerden een grooter aandeel daarin draagt is, om dat deze Stad in dit Canal haar uitwatering heeft, de grond tot de uitgraaving van hetzelve benoodigd, wierd van Oudshoorn gekogt, alwaar men met de uitgegraavene aarde, het Kerkhof verhoogd heeft.

Het vermaaken en verbeteren van den Rhynbrug: komt ons als een derde verbetering van de gelegenheid des Dorps voor, alzo dezelfde eerst een steene Brug geweest zynde, daar door groote ongelegenheid en hindernis aan groote Vaartuigen veroorzaakt wierd.

Ten opzichten van deze Brug, moeten wy hier nog iets uit de oude aanteekeningen aanhaalen, het geen by Plemder nog by den Schryver der Tegenwoordige Staat van Holland, niet schynt geweeten te zyn en dus ook niet door hen is medegedeeld: in de Rhyn cronyk naamlyk van Claas Colyn, met de aantekeningen van Mr. Gerard van Leon, in den Jaare 1745 by Pieter de Hond in den Haag, in Folio Formaat gedrukt: vind men op de 335 Regel deze volgende woorden aangehaald:

,, En in Alpenbrak, twee Haven," welke van Loon aldus vertaalt,  "En in Alphen twee Goederen," waarop denzelve van Loon deeze Oudheidkundige aanteekening doet volgen: Dat deeze Plaats welke in de Latynsche Giftbrief Albruck genaamt is volgens M. Alting, het Oudbroek by Delff zoude zyn (hier moet den Leezer weeten dat het eigentlyk den Oudenbroek onder Ryswyk teegen Vryenban leggende zou moeten zyn, alzo anders geen Oudbroek by Delft te vinden is) blykt uit Colyn het teegendeel, vermits de Schryver Alpenbruk, uit Alpen en Bruk (dat is in de Celtische taal  volgens Alting een Brug) zamen steld ter oorzaaken dat aldaar een Keizerlyke Brug, zo als zy er veele oudstyds overal door het Ryk gehad hebben, en voor welker gebruik zy den Tol ontfangen zal zyn geweest, even gelyk thans nog daar eene Brug over den Rhyn geleegen is."

Hier uit zien wy dus, dat den Oudheid-kundigen van Loon, meende dat de tegenwoordigen Rhynbrug te Alphen nog een oud overblyfsel van een zogenaamde Keizerlyke Rhynburg zouden zyn. Dezen Brug dan, die zo wy voorens reeds zeiden, in vroeger tyd, geheel van Steen aangeleegen was: legd op Aarlanderveensche Grond, en is ten tyde der vernieuwing tot een Houte Ophaalbrug met Steenen-Hoofden gemaakt, waardoor nu alle Vaartuigen zo groote als kleine zeer gemakkelyk tegen betaaling van eenig daar voor gesteld Bruggegeld passeeren kunnen. De onkosten tot de onderhouding en nodig zynde reparatien van dezen Brug worden voor twee derdens door Alphen en door Oudshoon voor één derde bekostigdm werdende ook alzo, de Bruggelden daar van komende door beide de Ambachten 's Jaarlyksch verpacht en verdeeld. Plemper zegd, dat deeze de eenigste Ophaalbrug is, die men vier uuren gaans, van Leyderdorp tot Zwammerdam gerekend, over den Rhyn liggende, aantreft.

De goede gelegenheid van Alphen wierd voords, en wel in de vierde plaats aanmerkelyk verbeterd, door het aanleggen van een Jaag Pad, het welk reeds geschiede in den Jaare 1664 - voor dien tyd moesten alle de hier passeerende Vaartuigen door de Wind of  Stroom, of met den Schuifboom worden vervoerd: het geen nu zo als bekend is, met Paarden kan gedaan worden. De Goudsche Sluizen die meer onder Alphen gevonden worden aan een Water de Gouwe genaamd, wierden reeds in den Jaare 1283 door Graaf Floris den 5den aan de Schout van Alphen en die van andere Ambachten ter Schouwing gegeven. De Gouwe schynt op dien tyd niet meer dan slechts ter ontlasting van eenige Polders gegraaven te zyn:  zedert is dezelfde egter een bekwaame Vaart geworden, tussen Holland en Zeeland. Dezelve neemt zyn begin uit de Yssel gaat van daar door de Stad Gouda, en als dan door de bovengemelde Goudsche Sluisen loopende, vald dezelve in den Rhyn.

Volgens een zekere uitspraak schynt het ons toe dat in den Jaare 1446 de Oude Sluis alleen maar uit één Schutdeur heeft bestaan; daarna en wel in den Jaare 1561 wierd dezelve van Steen nieuw opgemetzefd, en met een Ophaalbrug over dezelve voorzien, van welke de onkosten voor Heemraaden van Rhynland zyn,  die ook de voordeelen daar van koomende, genieten. Omtrent ten tyde van het vermaaken der Oude Sluis, wierd door Gecommitteerde Raaden, westwaards van dezelve ter bevordering van de Scheepvaard , nog een tweede grootere Sluis aangelegd, met een ruime Kolk voorzien: welke Sluis thans nog van 's Lands Weegen onderhouden word, zo als ook de Schutgelden mede aan den Lande verrekend moeten worden. Deze Sluisen dienen tevens, om wanneer by zwaaren Noorden- of Noord Oosten winden, het Water uit de Groote of Haarlemmer Meer eenige persing veroorzaakt: hetzelve te keeren, en desezelfd kragt te beneemen, ten einde daar door de Kadens aan de andere zyde der Sluisen leggende, voor overloopen, waaraan dezelfde anders ligt blootgesteld zoude zyn, te bevryden.

Uit de Historien des Lands, blykt dat den geene die in Oorlogstyden, deeze Sluizen in zyne Macht heeft, daar meede zeer veel voordeel op zyn Parthy kan doen: zo als wy nader by ons Artikel Geschiedenissen zullen aantoonen. Van Alphen af, gaat mede een water uit den Rhyn de Aar genaamd, loopende van Gouda tot Amsteldam, langs het hetwelke voor deze by de Steede een gemeen Jaagpad is aan gelegd. Door dit water het welk door de kortsteeksche Polder loopt, neemen alle de Trek- en Volgschuiten van of na Amsteldam of Gouda gaande hunne gewoone weg. Alles wat wy dus omtrent de goede geleegenheid van het Dorp Alphen hebben gezegd: betreft alleenlyk haaren Wateren en Rivieren: doch niet minder is deszelfs ligging omtrent de gesteltenisse des Lands, zo van aangename wegen als anderszins waarm den meergemelde Plemper dien aangaande niet ten onrechte zich aldus uitdrukt:

''Alphen, dus beringt, leyd tusschen zyn Grenspaalen, twee uure gaans, In de lengte uitgestrekt, lands voortreffelyke Wandelpaden, en Ryweegen, die alle oogenblikken van het gerit en geros dreunen, wederzyds gezoomd met Galleryen, van Geboomten, Heeren Huizen, Hoven, Bouweryen, en verschot van Woningen."

Voorts kan men ook van Alphen zeggen: dat haare gronden zeer vruchtbaar zyn: als bestaande meestal uit goede kleiäardens met eenig zand vermengd. Waar uit men dus de goede gelegenheid des Dorps ook in dit opzicht na kan gaan.

Overgaande tot de

NAAMSOORSPRONG

Zo hebben wy weder een ruim vak voor ons, waarom wy ons dus slechts by eenige en wel by de volgende gevoelens daar omtrent zullen bepaalen. Op de Reiskaart van Coenraat Peutinger vinden wy deze plaats aangeteekend onder den naam van Albamanis of Albiniana Castra, hetwelk door sommige wordt gehouden voor den naam van Keizer Antonius Albiniana: waaruit men dus heeft willen afleiden dat deze plaats den naam van den Romeinsche Veldheer Albinus Varis zoude hebben ontvangen, en dus dit Dorp na zyn eigen naam zouden hebben genoemd.

Dan elk die met de Historie onzes Lands eenigzints bekend is, moet dit gevoelen verwerpen, zo als zulks ook door Plemper gedaan is, daar hy zegt: dat er geen voorbeeld voor handen is, dat ooit eenig Veldheer der Romeynen zich zelf zulk een openluke eer zoude hebbe aangematigd om een Dorp of Ambacht naar zyn naam te doen noemen, het zy dan ook dat hy zodanig een plaats met zyn Legioen bezette, of hetzelfve reeds overwonnen had, en er meester van was - wel is het bekend, dat door Heeren, welke de een of anderen Plaats van deze of geene Graaf ontving, den naam van zo een ontvange plaats of Ambacht, voor hun Geslachtsnaam zo voor hun als voor hun Kinderen aangenoomen hebben; waar omtrent wy by van Leeuwen en Goudhoeven nader zoude kunnen nazien; en dus na dit aangehaalde vinden wy , ook allen redenen om deze aangevoerde stelling betreffende den Naams Oosprong van Alphen te verwerpen.

Abiniana Castra en Alpheni Castra: dit zoude naar men zegt zo veel willen beteekenen als een Oorlogs Magazyn of ook wel een Burgt van Albinus Varus: hetgeen nog al aanneemlyk voorkomt, wyl wy weeten dat er in de Steeksche Polder [ zo als voorens reeds gezien is,] een Oorlogs Magazyn juist door dezen Albinus is  gebouwd? het is om deze reden dat wy ook het gevoelen niet voor het onze kunnen aanneemen, te meer wyl naar onze meening dit Magazyn, eigentlyk aan de Alpenaaren of Bewooners der Alphische Gebergtens toebehoorden, dewelke op zekeren tyd den Rhyn af naar deeze Landen  waren koomen afzakken, zo als uit onze verder te doene beschryving nader blyken zal.

Om nu verder alle de verschillende gevoelens van onderscheidenen Schryvers betreffende dit artykel aantehaalen,  zo zouden men gewis ddaartoe een gehel zwaar Boekdeel nodig hebbem: waaromme wy dus over zullen gaan met alleenlyk dit ons eigene gevoelen daar over neder te stellen.

Den Rhyn, een der voornaamste Rivieren in Europa, neemt zijn oorsprong uit de hooge Alphschen Gebergtens tussen het zogenaamde Overland en Italien, alwaar men denzelve by de Lepontine met twee vallen aantreft, die naby de Stad Chur te zamen  één Rivier uitmaaken. Deze Rivier is den Rhyn, die door het Rhyndal en de Celtiesche Meeren tot in het Westen van Bazel gaat, en van daar zijn verdere loop neemd op Straatsburg, op Spiers, zo op Mentz en vervolgens op Keulen, Neder Wezel, Emmerik, tot aan de Schenkenschans alwaar zich dezelven in tweeën verdeeld, wordende alsdan het eene gedeelte hetwelk zig westwaards uistrekt de Waal genoemd, terwyl het andere gedeelten, hetwelk tot door dit ons Rhynland gaat, dat wy thans beschryven, en zig voorheen te Katwyk aan Zee by het Huis te Britten in Zee ontlaste, den Naam van Rhyn blyft behouden. Uit welk een en ander  wy tevens zien dat den Rhyn Stroom in ons Vaderland, op een zeer verre afstand van ons en wel uit de Alpische Gebergtens zyn eerste Oorsprong neemt.

Nu stellen wy voor vast dat toen een gedeelte der Overlandsche Volken welke toen ter tyd Romeinen dog thans Zwitsers werden genaamd, en die alle aan de Alpische Gebergtens zich met er woon ophielden en nevens eenige haarer Nabuuren ook Romeinen zynde, den Rhyn na deeze beneeden Landen, die toen nog aan niemand toebehoorde waaren komen afzakken: deze Bergbewooners zich Alpenaaren of Alphenaaren zullen hebben genoemt ter onderscheiding hunner Nabuuren; dat voorts dit Volk deeze Streek Lands in bezit genoomen hebbende, eeven als de Catti's hebben gedaan met dezelve naar hunne naam te doen noemen, zo als dan de laastgemelde ten opzichte van de Kat- en Noordwyken mede gedaan hebben. En dit aangehaalde meenen wy voor den egten en waaren Naams Oosprong van Alphen te kunnen opgeeven.

Wy worden in dit gevoelen versterkt door den Geleerden Alting daar hy zegt, dat het woord Bruk in de Celtische taal zo als het door Colyn gebeezigd is: een Brug zoude beteekenen: en daar nu de Alpische Gebergens naby de Celtische Meiren wierden gevonden, zo zullen dekelyk de Bewooners daarvan geene andere dan ook de Celtische taale hebben gesprooken. Dus onzes bedunkens, word hier omtrent allen verder twyffel weggenoomen, en alzo den waaren  Oorsprong des Naams alleen aan de gemelde Bergbewooners tens duidelyksten en met zeer veel recht, toegekendt.

STICHTING EN GROOTTE,

Het voorgaand artykel heeft ons reeds den Naams Oorsprong doen zien, en daar uit is zeel gemakkelyk optemaaken: dat ook geene andere dan deeze Bergbewooners (waarvan wy booven spraaken,) de Stichters of Aanleggers, zullen zyn geweest.

De tyd wanneer zulks zoude zyn geschied meenen wy op goede gronden te kunnen stellen, op die, waarin de eerste aftogt der Romeinen is geschied en welk niet later als toen de Cati's dezen aftogt ondernaamen; vermits anders naar ons inzien dit laatstgemelde Volk deeze grond wel meede zoude hebben in bezit genoomen; ten waare men wilde stellen, dat deeze Alphenaaren, de Cati's door den Oorlog van hier zoude verdreeven hebben ..., dan hier voor hoegenaamd geen bewys vindende, zo kunnen wy geen andere voor Stichters houden dan deeze meergenoemde Bergbewooners, en alzo komt de Ouderdom des Ambachts ons voor, op ten minsten twee duizend jaaren. De grootte van Alphen is aanzienlyk: Plemper zegt: " Den omkreits begrypt op de nieuwe meeting 2287 Morgen Land die mild van Gras en Klaver bewyd en bezaaid worden op allerhande wyze."

Het geapprobeerd Reglement voor Rhynland van dato 10 February 1796 teld eene Grootte van 2263 Morgen. Mr. S. van Leeuwen 's Constume van Rhynland steld 10 Morgens meer en rekend de Grootte aldus op 2273 Morgen.

De Verpondings-Lyst van den Jaare 1732 bepaald dezelve op 2644 Morgen 41 Roeden, waar men 234 Morgen afteld voor de Rietveldsche - Polder die wy nader op zich zelve zullen beschryven, blyvende dus voor Alphen aan getal van 2410 Morgens en 41 Roeden.

Ons oud Manuscript heeft 375 Roeder meerder als de zo evengemelde Verpondingslyst, zeggende daarby, dat alle deze Morgen Lands (Rietveld daar onder gereekendt) te zamen 's jaarlyks aan Verpondings-gelden opbragten een Somme van 7505 Ponden en 12 Schellingen.

De Landzyde van Alphen is verdeeld, in de zo genoemde Rietvelsche Polder en voorts nog in de Saner - de Groot Wester - de Nester - de Rhyneveldsche - en de Steeksche Polder alle welke Polders elk een byzondere Watermoolen hebben, behalve de Steeksche die er twee heeft.

In den Jaare 1632 waaren er voor Alphen en Rietveld, te zamen 136 huizen aangeteekend, welk getal honderd jaaren daarna zo aanzienlyk toegenoomen was dat men hetzelfve toen konde stellen op 315 huizen, 10 kalk ovens of Pannebakkeryen, 1 Zaag; 1 Tras en 1 Koorenmoolen; en welke Huizen en Gebouwen zedert niet vermindert zyn: hoewel er zeker zinds eenige Jaaren eenige Buitenplaatsen zyn weggebrooken, dog daar en tegen, heeft men deszelfs plaats altoos weder door andere nieuwe Gebouwen in de Polders zien vervangen.

Het getal der Inwoonderen bedroeg in den Jaare 1798, te zamen 2006 Zielen.

Overgaande tot de beschouwing van het eigentlyke kerkdorp, of de plaats alwaar de Kerkstaat, zo kunnen wy zeggen dat deze is aan de Zuidzyde van den Rhyn, overal met zeer goede bestraate weegen, en schoone betummerde Gebouwen en Woonhuizen voorzien, welke laatste meest alle een zeer verukkelyk uitzcht hebben, zo van agteren over het zogenaamd Canaal, den Rhyn ,of de gronden van het Hof. De voornaamste Straaten die mn te Alphen aantreft: zyn het Zuid en Noord- einde, welke als met een schuin kruis door-sneeden word, met de Bruggestraat, die aan den Rhyn uitkomt; voorts heeft men nog de Papestraat, die zig met een houten Brug tot aan het Canaal uitstrekt. Het getal der Huizen binnen de Dorps-brandschouwing staande"beloopt circa 150 a 160.

's Jaarlyks werd er te Alphen een vermaarde Kermis gehouden, invallende op den eersten Sondag na St. Margriet, zynde den 20 July, welke vrolykheid hier ten merkelyke voordeele voor den bewooner kan gerekend worden, alzo er op dien tyd alsdan een menigte Kooplieden van alle plaatsen met Koopmanschappen en Waaren hier met hunn Koop-Kraamen staan, zelfd gebeurd het niet zelden dat hier op Kermis 10 à 12 Houte Vertoon Tenten, gemeenlyke Spellen genaamd, gevonden worden, een getal, het welk meenig maal in Groote  Steeden niet gevonden word. Het Spreekt dus ook van zelfs dat deze Kermis veel werd bezocht.

Het WAAPEN

Van Alphen is een zwarte Ster met 8 punten op een Zilverschild afgebeeld. De

KERKELIJKE EN GODSDIENSTIGE GEBOUWEN.

Volgens sommige gissingen , die wy by Plemper vinden aangetekend, zo zoude hier weleer een Klooster hebben gestaan, dan den Eerwaarden van Rhyn meld hier egter niets van. Zelfs hebben er daaromtrent zeer veele onderzoekingen zo te Brussel, te Leuven, te Mechelen als te Utrecht plaats gehad: doch altoos is zulks vruchteloos geweest, en niet is daar van ontdekt geworden. - Evenwel zoude het voortgekoomen zyn; als of hier in vroeger dagen eenige Geestelyke Vaders zoude hebben gewoond, welke ieder haar byzondere wooning zoude hebben gehad: aan welke Vaders de eerste Stichting of aanleg van de Abdye van Oud Munster te Utrecht, haare Oorsprong zoude verschuldigt zyn.

Plemper (zo wy reeds zeiden.) blyft evenwel beweeren dat hier een Klooster moet geweest zyn: hy geeft daaromtrent voor: dat de grond der Papestraat en een vierkant Blok Huizen, Erven en Thuinen Noordwaards aan deeze Straat geleegen: daar toe zoude hebbe gediend: dan al-wederom zonder eenig bewys.

Den tyd wanneer de Oude Kerk is Gesticht geworden: vinden wy nergens aangetekend. Veele gronden heeft men egter om te veronderstellen dat dezelve van een zeer vroege datum is: zynde toegeweid geweest aan den H. Bonifacius. Men vindt niet meer dan een Priester van deeze Kerk genoemd, zynde den Eerw. Gerrit Voppens, welkers dienst volgens aanteekeningen van Plemper zouden moeten hebben plaats gehad, ten tyden van Hertog Aalbregt van Beyeren. Deze Pastorye stond in vroeger dagen ter begeering van den Abt van St. Poulus te Utrecht, werdende de Kosterye door den Graaf van Holland begeeven aan welke egter maar geringen voordeelen verknocht waren.

Behalve verscheiden anderen Cieraaden, was deze Kerk voorheen vercierd met de afbeelding van deszelfd Patroon Bonifacius: ook was in dezelve behalven het hooge Autaar  nog een Autaar aan de H. Maagt geplaatst, aan welke mede een altydduurende Vicarye was gesticht, die door Georgiud van Egmond Bisschop van Utrecht, op den 30. October des Jaars 1556 ten verzoeke van N. van Alphen Pz. nader bevestigd is geworden, zoals reeds vroeger door David van Bourgondien gedaan was.

Dit oude Kerkgebouw, moet volgens de beschryving die men daarvan gemaakt heeft: van een aanzienlyke grootte en een fraai Gebouw zyn geweest, voor hetwelke een zwaar en niet min hoogen Tooren was geplaatst. Deeze Tooren die vierkant opging tot binnen de Klokkezolder en aldaar een Ballustrade had boven welke wederom een spitsn uitrees, had een Uurwerk en drie Klokken, en bevatte eene lengte uit de grond tot boven de spits gereekend van 193 voeten. De Spanjaarden hadden eens op zekere tyd alle de Ankers en ander Yzerwerk uit deze Tooren genomen, waar door dezelve merkelyk verzwakte, en geen behoorlyke zorge tot herstel, tegens een geheel verval daar omtrent genoomen zynde: storte dezelve in de maand April des Jaars 1580 geheel en al in: op welke gebeurtenis men nog dit volgende Vaersje elders geschreeven vind:

 

't Jaar Vyftien Honderd Tachtig,

Zag men Gods Hand waaragtig,

't Was in de Maand van April,

Dat den Tooren van Alphen Vil,

En God den Heere 't voor zag,

Dat er niemand Doot en lag,

 

Op het midden des daks stond mede echt niet onaardig Spits Toorentje van een Klok voorzien. Toen deze Kerk aan de Gereformeerde Gemeenten overging, is dezelve het allereerst bedicht geworden, door den Predicant Wouter Evertsz. In den Jaare 1619 trof deze Kerk het ongeluk van geheel aftebranden, zo als ook op dien tyd byna het gantsche Dorp een prooi der vlammen is geworden. Wel rasch egter wierd er weder een nieuwe kerk in plaats van de voorige aangelegd, dewelke hoewel in een geheel andere bouworder egter niet minder aanzienlyk is, zynde een langwerpig vierkant gebouw met verscheide zo hoogere als lagere Capelgevels uitgebouwd , van binnen een goede ruimte bevateende en zo wel wat den Predikstoel en het  Doophek, tevens de Zitplaatsen en Gestoeltens, Choor en Kerkenraads Kamer aanbelangt, in allen opzichte tot de Godsdienst Oeffening zeer geschikt.

In 1722 wierd door de Leeden der Kerk 3 Zilveren Schotels en 4 dito Beekers, ten gebruike by het H. Avondmaal aan dezelve vereerd. Voorts pronkt deze kerk met kopere Kaarskroonen en andere Cieraden. Aan de Choorgevel vind men nog de Nis in welke de afbeelding van Bonifacius in de Oude Kerk gestaan heeft.

Op het midden des daks, alwaar de kruisgewyze bouworde zig vereenigd: staat een niet onaanzienlyke Spitze-Tooren, zo als het Dak met Leien gedekt, binnen met Klok- en Uurwerk en buiten met Uur en Windwyzers voorzien.

Het Kerkhof is hier mede in een goede en geregelde order met bestraate voetpaden, op een van deeze Paden vind men het Wapen van Alphen niet onaardig in of door Steenen afgebeeld.

De Wooning van den Predicant, het Dorpschool, en het Weeshuis staan alle in de Papestraat, en zyn door het goede onderhoud dat zy genieten, zeer goede en aan het oogmerk voldoende Gebouwen. - Het Fransche School staat op Aarlanderveensche Grond waarom wy ook by de Beschryving van dat Dorp hier over nader spreeken zullen.

De Roomsche Gemeenten heeft hier meede een Kerk: Vooheen wanneer deeze Gemeente  gecombineerd was met die van Aarlanderveen, was dit slechtseen zeer eenvoudigen met een rieten dak gedekt Gebouw, staande op den grond van laatstgemeld Dorp: dan in den Jaare 1795 dus nog kortelings geleeden: bekwam deeze Gemeente een eigen Pastoor, werdende toen geheel en al van Aarlanderveen afgescheiden, en het Kerkgebouw, dat aan deeze Gemeenten bleef vleel verbetert, zynde thans van alle gewoone Kerkcieraaden, en benodighedens, en van een daar annex zynde Pastoors wooning voorzien, Belangende de

WAERELDLIJKE GEBOUWEN 

Zo konde men in vroeger dagen het Hof van Alphen daar onder als het eersten en voornaamsten opgeven, dan hetzelfve is geheel weg. De Waag is van hier naar Oudshoorn verplaats. Het Rechthuis: daaromtrent moeten wy, offschoon het zelve maar een ordinaire Herberg is, echter de volgende aanteekening doen. Deeze Herberg werd St. Joris genoemd en is een schoon gebouw, waarin menigmaalen Koningen en Prinsen hun intrek namen, en verblyf hielden, In het begin der voorige Eeuw Logeerde in dezelve, den Engelsche Graaf van Strafford, die by deeze geleegenheid zyn Wapin konstig afgezet, met de Rilder order van den Kausenband omringt en de Zinspreuk: Hony soit qui Maly pence in gonde Letteren en nog een Onderschrift in de Fransche Taal daarby, aan dit Huis ten geschenken gaf. Daar deze huizing tot een Herberg of Logement in allen opzichte zeer goed geapropiteerd is, zo werd hetzelfve ook zeer veel bezocht.

KERKELYKE REGEERING

Deeze bestaat alhier voor de Gereformeerde Gemeenten uit den Predicant, behoorende onder de Classis van Woerden en Over-Rhynland) zynde 't zedert den Jaare 1795 den Eerwaarden Willem Jolian Sieverts, met nog 4 Ouderlingen en 4 Diaconen.

Kerk en deszelfs aanhooren werd bestuurd en onderhouden door Kerkmeesters: het Weeshuis door daar over aangestelde Regenten en Regentessen, nevens Binenvader en Moeder.

De Roomsche Gemeenten heeft tot deszelfs Bestuur den Pastoor, zynde zedert 1795 den Eerw. Johannis Celtjes; voorts Kerk en Armmeesters. De

WAERELDLYKE REGEERING 

Word wat Crimineele zaaken aanbelangt tot heden geadministreert door Balluw en Welgebooren Mannen van Rhynland. Het Water of Heemrecht staat aan Dykgraaf en Heemraden van Rhynland, by welke hetzelve beschreeven is op het 2de Quartier, Hoofdplaats Bodegraaven. In den Jaare 1527wierd de Ambachts Heerlykheid van Alphen in eigendom bezeten door Vrouw Josina van Egmond van Wassenaar, dewelke toen, als ook haare nakomelingen zich Heeren en Vrouwen van Alphen en de Goudsesluis deeden noemen. Vervolgens aan andere overgegaan zynde, is hetzelve reeds jaare agtereen, een eigendom geweest van den geslachten van van der Meer,  hetwelk naar onze meening al zeer vroeg in deeze Oord eenige nezitting heeft gehad, vermits wy aangeteekend vinden dat in den jaare 1330, een Contract tussen de Kinderen van Engelbregt van Wassenaar,  Heer van Cranenburg en Dirk van Oudshoorn, Heer van Oudshoorn en Aarlanderveen, door eenen Willem van der Meer Daniel van Alphen en anderen onderteekend is geworden. In den Jaare 1745 wierd Alphen te zamen met Rietveld door Jacob van der Meer aan Mejuffrouw Catharina de Wilde, Weduwe van de Heer A.J. Brakonier, in leven Predicant te Utrecht, verkogt voor een somma van 58000 guldens. Thans wordt het Ambacht in Eigendom bezeeten door Vrouwe Agatha Alewyn, Weduwe van den heer Theodorus de Smet, woonachtig te Amsteldam.

De Civiele Regeering bestond voorheen uit den Schout nevens 4 Burgemeesteren die te gelyk Ambachtsbewaarders waaren; voorts 7 Schepenen en 1 Secretaris, en overigens uit de ondergeschikte Collegien voor de Weeskamer: Arme en tot de Brandspuit aangesteld.

Dan met de algemeene ommekeer van zaaken in ons Vaderland, in den Jaare 1705, wierd ook hier ten opzichte der Regeering, de zeker vooraf reeds bepaalde veranderingen gemaakt: wordende er als toen een Municipailiteit aangesteld, en een Collegie van Schepenen, nevens Schout, Secretaris, en overigens de benodigde Commissien: dan welke verandering van Bestuur alleenlyk omtrent het civiele en Burgerlyke en geensints in het crimineele heeft plaats gehad.

De VOORRECHTEN 

Door de Graaven van Holland aan Alphen verleend: zyn waarlyk groot. De voornaamste, zyn van den Jaare 1283, 1358, 1372, 139- en 1400, die alle betrekking hebben tot den waterstaat van dit Ambacht; als daar is wegens de medeschouwing van de Goudsche Sluizen, het leggen en onderhouden van Dyken, Kaden, Wegen en Weteringen, welke alle als van zeer veel nut beschouwd worden.

Het Recht van de Waag reeds voor 200 jaaren aan het Dorp verleend, staat aan den Heer of Vrouw in den tyd; Deze mogen dezelve zonder dat iemand zulks zouden kunnen beletten, plaatsen op Alphen, Aarlanderveensche of Oudhoornsche Grond; en zulks ingevolge een Vonnis van den Jaare 1660. Om deze reden is dezelve dan ook een reeks van Jaare op Aarlanderveen, regt tegen over de Herberg de Goude Wagen geplaast geweest, daar na heeft men hem egter op Oudshoorn overgebragt, waar hy ook nog thans gevonden werd., hoewel nooit anders dan de Waag van Alphen genaamd werdende. Voorts behooren aan den Heer of Vrouw, voor het tegenwoordige nog alle die Voorrechten die van ouds aan het Ambacht annex zyn geweest, en die door geene genoomen decreeten van 's Landswege vernietigd of afgeschaft zyn geworden.

Wyders hebben wy nog voorens reeds aangetekend, dat het Ambacht 2 derde parten in de voor en nadeelen van een Rhynbrug geniet en de helft in het Lootgeld van den Rhyn.

VERMAARDEN MANNEN. 

Onder dit Artikel kunnen wy wat dit Ambacht betret aantekenen, dat alhier in den Jaare 1525 overleeden is: de van Ouds Vermaarden Wilhelmus Heeda, eerst Raad en Secretaris van Keyser Maximilliaan den eerste, en als zodanig afgezant in verscheide Ambassades van denzelve, daarna den geeselyke staat omhels hebbende: Proost- en Aartsdiacon van Arnhem, en vervolgens Deken van St. Jan te Utrecht. Zynde voorts nog Schryver van het Leeven der Utrechtsche Bosschoppen tot den Jaare 1524.

Omtrent den Jaare 1679 wierd eene Gideon van Jaarsveld te Alphen woonachtig en een Smit of Slotemaker zynde, aangesteld tot Muntmeester van West Friesland. Door deeze Gideon van Jaarsveld zyn ter gedachtenisse van den Grooten voorspoed der Wapenen van den Staat tegens Frankryk in den Jaaren 1679 alle de Scheepjes Schellingen (verbeeldende een Schip met volle zeilen voor de Wind vaarende) gemunt geworden. Hondert  Jaaren vroeger muntte den Lande ook een Penning, op welke een Schip zonder Roer of Zeilen op Zee dobberende, wierd afgebeeld, met dit omschrift: "onzeker waar 't noodlot voeren zal."

Op Alphen is ook een Soort van Strykleder uitgevonden, om Scherpsnydende Werktuigen, als Scheer en Pennemessen enz., scherp te kunnen maaken, dan door wien, wierd niet gemeld. Omtrend de 

BEZIGHEEDEN 

In Alphen mede zo vermaard als menig Stad in Nederland zo dat hetzelve altoos aan een menigten werkzame handen brood verschaffen kan. Evenwel is dit thans niet zo voor deelig als wel te vooren, welke vermindering aan het aanhouden van den Oorlog moet worden toegeschreeven, die hier even als door geheel ons Vaderland, ja door byna de geheele waereld,  haare droevigde gevolgen, (doch echter hier nog minder over het geheel dan wel elders) doet ondervinden. Het Dorp bevat een menigte van allerleie soort van winkels met alle soort van waaren en Koopgoederen, voor het daaglyksch onderhoud benodigd voorzien: voorts Brood, Bescuit, en Koekebakkers, Herbergen en Logementen, die door de veele Scheepvaart een ruim bestaan kunnen aanbrengen door het groot getal Boeren of Huismans wooningen in den omtrek van Alphen gevonden wordende, en door de veele Buitenplaatsen en Moolens, zo komen er ook veele Handwerklieden aan werk; de Pannen- Kalk en Steen-ovens, Fabriek-Moolens, Scheepmakeryen en Lynbaanen, bragtente vooren zeer veel voordeel tot de welvaard van het Ambacht toe: thans is dit alles zeer veel vermindert. Er werden hier ook Pypen-makeryen gevonden, van welke evenwel de sorteering niet zo goed geoordeelt word als die van ter Gouda. De Landeryen alhier leveren de heerlykste Boter- Kaas en Graanen, een en ander dus te zamen genomen, overtuigd ons dat byaldien ons Land, zich in Vrede bevind, en dus den Koophandel bloyen kan, dit Alphen in drokte  Koopmanschap en bestaan, zeer verre uitmunt boven een groot getal andere Dorpen in ons Vaderland. 

GESCHIEDENISSEN 

Hieromtrent kan Alphen een zeer groot vak beslaand: zeker veel grooter dan wy volgens ons aangenoomen  bestek plaatsen kunnen, als waaromme wy dus ook slechts het voornaamste daar van schetsen zullen. Reeds in de dagen toen de Deenen en Noormannen deeze Landen afliepen, moest ook deze plaats het akelig  lot van beroofd en geplunderd te worden, ondervinden. De Hoeksche en Cabeljauwsche verdeeldheeden, bragten het zwaard des Oorlogs mede op Alphen.

Om van andere oorzaaken, die tot deze verderflyken Oorlog aanleiding hadden gegeeven, te zwygen: zullen wy hier aaneenlyk aanteekenen, dat omtrent des Jaare 1424, vrouwe Jacoba van Beyeren, (deze waarlyk ongelukkige Princes,) om dat zy zo wat wispeltuurig in liefde met haare Mannen aan wie zy getrouwd was leefde, zich den haat der Cabeljauwsche partye al meer en meer op den hals had gelaaden, dien ten gevolgde in handen van de Gezanten van haaren Neef Philips van Bourgondien geleeverd, en alzo naar Gend vervoerd wierd: waarna men by deze laatstgemelde partye begon te spreeken met in voorraad te vonissen, om haar geduurende haar gansche leven binnen Ryssel gevangen te houden; zy hiervan bericht gekreegen hebbende, deet heimelyk eenige bericht daar van geworden aan de Hoeksch gezindten - Hollandsche Edele, die haar aanhingen; deze zonden een Deputatie af bestaande uit de Heeren Aalburg en Spiering, welke beide Persoonen het gelukte Jacoba in Mansklederen te doen ontsnappen, en met zich te voeren; die haar dan ook, alle te Paard zittende over Gorinchem en Vianen tot by den Heer van Brederoode bragten; welke laatste haar in zune Huisvrouws klederen doet herkleeden en alzo met haar in Schoonhoven, Gouda en Oudewater verschynt, in welke Steden men haar als Gravinne aanneemt, terwyl de Bisschop van Utrecht mede haare zyde koos. Dan deze bewilliging dier Steden, zal min als de keuze van den Bisschop, behaagde aan de Cabeljauwschen, en het was daarom dat deze eene macht van volk verzameleden en zich naar Alphen begaven, van waar zy de Steden die zich voor Vrouwe Jacoba hadden verklaard, wilden aantasten, om verder haar zelfd in Persoon te vangen of te verdryven, - Dan dit stout bestaan bekwam hun egter zeer slecht, want het gebeurde dat Jacoba aan het hoofd van de van Gouda en andere Hoeksch gezinden op den 21 October 1425 de Cabeljauwsche op Alphen aantasten, met zo een gelukkig gevolg, dat dezelve geheel verslaagen wierden, en zy (Jacoba) dus een compleete overwinningen behaalden en met veele gevangen, als ook met de Baniere van den Steden Leiden, Haarlem, Amsteldam en andere naar Gouda terug keerden.

Het jaar daar aanvolgende 1426, viel er weder in de nabyheid van Alphen een zwaar gevecht voor, tusschen Jacoba en die van den reeds genoemden Philips van Bourgondien, haaren Neef,  het geen zich aldus toedroeg. Vrouw Jacoba met de Hoeksche, de Stad Haarlem belegerd hebbende: zoo verzamelde de party van Philips met de Cabeljauwsche een Leger te zamen in Leyden, met oogmerk om de Goudsche Sluizen te stopppen, en aan Jacoba en de haaren den aftogt naar Gouda te beletten, zendende ten dien einde een Persoon vermomd als een Bedelaar, en voorzien van een zogenaamde Lazarusklap naar Haarlem af, met voorneemen, deze onderneeming van Philips en de zynen zo veel mogelyk te bevorderen: dan dezen afgezant wierd ontdekt en als Spion gearresteerd; by het doorzoeken van zyn Klederen, wierd men egter niets by hem gewaar, dan alleenlyk een Bol Broods, in welke men deze navolgende Brief ontdekte:

Gy vroome Vrienden, en Poorters van Haarlem weet dat wy te Leyden gekoomen zyn . en op morgens willen wy met alle magt trekken tot Alphen, stoppen de Goudsche Sluys, op dat die Hertoginnen met haare Heyren geen Weg nog doorgang vinde, en hebben, om weder te keeren binnen ter Gouda, en dat gedaan zynde willen wy u, ter hulp koomen.

Na deze ontdekking deed Jacoba deeze Boode of afgezant, ter belooning zyner dienst aan een Boom ophangen, brak het Beleg voor Haarlem met allen Spoed op, en trok daarna met alle mogelyke stilten op Alphen aan.

Den volgende morgen vroeg, kwam het Leger van Philips, hetwelk meestal uit Picardiers en Vlamingers bestond zig op den Hoogendyk by Alphen in Slag order stellen, om alzo op de Sluis aftetrekken, dan Jacoba verscheen mede onverwacht aldaar aan het Hoofd haarer Krygslieden, vald haar Vyanden aan, en behaald op nieuw de Overwinning, by welke de Cabeljauwsche, die door eenen Jan van Uitkerken gecommandeerd wierden, ten minsten 500 Dooden agter lieten. Jacoba behield aldus de Sluis, om welken te behouden zy zelfs het gansche Beleg voor Haarlem verkoos op te breeken. Alle welke door Jacoba behaalde voordeelen egter van zeer kort gevolg zyn geweest, want niet lang daarna is dezen haaren voorspoed in even zo veel tegenspoed verkeerd geworden.

In Anno 1481 lag binnen Alphen eenen Johan van Ranst, Markgraaf van Antwerpen, by zig hebbende eenige Troupen die van 's Landsweege tegen de Hoeksche onder Reynier van Broekhuizen ageeren moesten, welke partyen dan ook aan elkanderen geraakten, en laatsgemelden met de zynen op de vlucht wierden gedreeven.

Anno 1489 liet den Stadhouder van Holland Jan van Egmond, vyf burgers van Gouda, op het Kerkhof aldaar gevangen neemen en onthoofden. Dan slechts 10 dagen daarna kwamen eenige Krygsknegten uit Woerden omtrent deze begaane daad, Weder-wraak neemen en sloegen de Goudsche Sluis aan stukken, waardoor de Scheepvaart geheel gestremt en Alphen merklyk in zyns Waterstaat te lyden heeft.

In 1512 wierd den Nieuwen Rhyndyk van Katwyk af, door Alphen op Woerden gelegdt.

In 1524 wierd Alphen door de Gelderschen onder Maarten van Rossum, Heer van Poederoyen, op een zeer zwaare en drukkende Brandschatting gesteld,

In 1532 hebben die van Alphen mede eenig geld opgebragt of voorgeschooten tot het maaken van den Visbrug binnen Leyden, onder voorwaarde dat geen Burger of Inwooner van Alphen binnen Leyden om schulden  gearresteerd zou moogen worden.

In 1570 wierd er te Leyden een aanbesteeding gedaan van het hermaaken van den Rhyndyk van Alphen af tot aan Leyden gereekend: mits in 6 dagen moetende gereed zyn, zynde het aan den aanneemer of aanneemers vry geweest, om de daartoe benodigde spetie van de naast aangeleegen Landen te mogen nemen.

In 1573 wierd door de Spanjaarde by het beleg Leyden in Alphen een Verschansing aangelegd, die zy by het nadere van Graaf Lodewyk van Nassau zo wel als het Dorp zelve moesten verlaaten: waarna dezelve vernietigd wierd.

In 1574 wierd Alphen andermaal door de Spanjaarden ingenoomen, het welk zeer bloedig en met verlies van veel volk toeging, wanneer door hun op nieuw in dit Dorp een Verschansing wierd aangelgd, om Leyden ten tweedemaal te belegeren. Als toen lagen de Engelschen met vyf Vaandelen Volks aan de Goudsche Sluizen om dezelve te verdedigen; dan de Spanjaarden trokken op hun af, verdreeven dezelve, namen de Sluizen in, -en ruïneerden dien waar door zy aanmerkelyk veel voordeel op hun party behaalde.

In 1580 in de maand April stortte de Kerktooren van Alphen neder, zonder echter meerderen ongelukken te veroorzaaken.

In 1619 ontstond binnen Alphen een zwaare Brand in de Olymoolen, te dier tyd staande ter plaatze waar nu de Herberg het Hof van Holland staat. By dit ongeluk verspreide zig de Vlam Zuid en Noordwaards, en zette de Huizen aan deeze zyde staande die met riette daken waren gedekt alle in volle Vlam, zo dat het vuur in weinig tyds niet alleen de Moolen, maar ook de fraaie Kerk, en byna het gansche Dorp vernielden.

In dit zelve Jaar brande ook het vermaarde Huis te Leeuwen af, dan hetzelve wierd spoedig daarna op nieuwe herbouwwd. Dit Huis was in den Jaare 1450 door Willem van Leeuwen tot een stamhuis van dien naam gesticht, en was aan den Heeren van Wassenaar opgedraagen.

In 1672 wanneer men den Oorlog tegens de Franschen voerde, moest Alphen meede zeer veel rampen uitstaan, gelukkig nogthans in dien tyd, dat de meergemelde Goudsche Sluizen in handen der Staaten bleeven, als waar door het verder doordringen der Franschen binnen deze Landen wierd belet. Indien tyd waren veele ja de meeste Inwooners van hier gevlucht, en waren de Heer van Dorp, Kinschot, Hop, Kievit, Zonk, Bosveld en Fagel, by deze gelegenheid als gevolmagtigde te velde, alle op eenendezelfde tyd te Alphen tegenwoordig.

In 1673 op den eersten January deedt den Prins van Orange Willem de 3de  alle de gevlugte Burgers en Inwooners van Alphen en omliggende Plaatsen inroepen, beloovende aan hun alle, zyne bescherming en protectie.

Den 15den daaraanvolgende wierd in het Staaten Leger, eenen Staaten Collonel onthoofd met naame Moses Pain en vin. Deze Officier was eerst gevonnisd geweest, om 15 Jaaren op eigen kosten gevangen te zitten, daarna wierd dit Vonnis vernietigd en men veranderde hetzelve, in een gevangenis voor zyn gantsche leven, met verbeurd verklaaring van zyn goederen: dan den Prins in het Leger koomende, begreep dat beide deze Vonissen veel te zagt waren geveld, voor kwam de Uitvoering daarvan, en sprak het Doodvonnis over hem uit, als hebbende denzelven den aan hem toevertrouwde post aan den Nieuwen Brug verlaaten, waarop dan ook op den 15 bovegemeld dit Vonnis aan hem ter uitvoer wierd gebragt, werdende door drie slaagen het Hooft van zyn lichaam afgehouwen.

In 1687, waaren er op Alphen tusschen zommige Ingezetenen, eenige oneenigheden ontstaan, hetwelk verscheiden onaangenaame gevolgen te weeg gebragt.

In den Jaare 1716 op den 5de September, ontstond hier andermaal een zwaare Brand, in de Grutterye van dit Dorp, dewelke almede tot verscheide andere Huizen oversloeg, en zo doende 25 Gebouwen in de Asche legde.

Voorts zullen wy ten slotte van dit Artykel hier nog aantekenen, dat Alphen in alle de zo Openbaare Oorlogen, als Burgerlyke oneenigheden, altoos  een rykelyk aandeel heeft gehad, het zy door veelvuldige Inquartieringen als anderzints. 

BIJZONDERHEDEN 

Alles hier omtrent op te noemen, zoude byna (om zo te spreeken) een werk zonder einde zyn. Wy zullen dan alleen slechts met weinig woorden zeggen, dat alle de fraaye Buitenplaatsen, de aangenaamen Thuinen, de Verrukkelyke Wegen, de steeds met Scheepsgewoel bezette Wateren, de lieflyke ligging des Dorp over het algemeen, nevens het schoons van het Kerkgebouw en het Dorps Rechthuis, met  recht onder dit Artykel behooren in aanmerking genoomen te worden. De 

REISGELEGENDHEEDEN 

Zyn hier zodanig dat een elk dag en nacht van hier na alle Plaatsen zyne reize kan voorzetten.

Door dien (zo wy voorens reeds gezegd hebben.) het generaale Post-Comptoir hier gehouden word, zo kan men ook  Dagelyks zyne Brieven verzonden krygen. Omtrent dit Comptoir werd altoos deeze geregelde order gehouden, dat de Postryder van Dordrecht de Brieven aanbrengt van deeze Stad, nevens Gorinchem, Gouda en Schoonhoven. Die van Rotterdam, brengt de Rotterdamsche, Schiedamsche en Vlaardingsche Brieven  mede. De Postryder van den Haag brengt die van zyn plaats,en die van Deft en Leyden. De Utrechtse brengt met de zyne ook die van Woerden aan.Voorts werd door de Amsteldamsche Post, de brieven aangebragt van Amsteldam en Haarlem.

Alle deze posten brengen tevens de Brieven van de onderscheidene in de ommestreeken geleegene Dorpen mede, en komen alle te Middernacht op Alphen aan, wanneer de Brieven door de daartoe gestelden Commiesen, (zynde een van Dordrecht, Rotterdam, den Haag en Utrecht te zamen, en een van Amsteldam) verwisseld en met dezelve Postryders weder van daar verzonden worden.

Ook passeeren hier tevens de Posten die over Utrecht de Brieven uit Braband en Duitschland aanbrengen. 

HERBERGEN EN LOGEMENTEN 

Zyn bleef veele en onderscheiden van hoogere en mindere rang, de voornaamste zyn: St. Joris zynde het Rechthuis en tevens een Uitspanning Het Hof van Holland.

 

 

   

 

 

 

 

 

 

 

 

 



Reactie plaatsen




bijlage of video toevoegen





Houd mij op de hoogte van reacties op mijn inzending

Ik ga akkoord met de voorwaarden

* Verplicht invullen

Zoeken

Plaats

Steden en dorpen

Terug naar

Steden en dorpen

Oudshoorn in de negentiende eeuwRijnsaterwoude in de negentiende eeuwOnderwijzers VermeulenKorenmolen Moordrecht