De "Hooge Boezem achter Haastrecht" is een 48 ha groot
poldertje, waaraan het gemaal zijn naam ontleent. De vroegste
ontginningen van Krimpener- en Lopikerwaard dateren al van eind 10e
eeuw. Haaks op de rivieren en veenstroompjes als Lek,
Hollandse IJssel en Vlist zorgden kavelsloten voor de afwatering.
Uitvoering én beheer van de waterafvoer leidde tot het ontstaan van
de zgn. waterschappen, ontstaan vanuit de lokale gemeenschappen en
als zodanig een vroeg-democratisch instituut.
In de loop van tijd was het maaiveld zo ver gedaald dat omstreeks
1400 drooglegging van het land bij natuurlijke lozing van het
polderwater via sluizen op de rivier zelfs bij eb niet meer
voldoende bleek te zijn. De windwatermolen moest nu uitkomst
brengen om de polders boven water te houden. In de tweede helft van
de 15e eeuw startte men met ééntrapsbemaling (van sloot in boezem)
middels wipwatermolens met een scheprad.
Toen steeds meer molens de Vlist als afwatering gingen gebruiken,
besloot men te gaan bemalen met voormolens (bovenmolens) op een
hoge(re) boezem. Met het in gebruik nemen van de Hoge Boezem achter
Haastrecht in 1486 kwam er tweetrapsbemaling voor de op de Vlist
uitmalende polders.
Het initiatief tot het inrichten van de Hooge Boezem achter
Haastrecht was uitgegaan van de regeerders der stad Schoonhoven,
die als hoofdstad van het land van Blois (Belois) fungeerde. Verder
namen deel de deken en kapittel van de kapittelkerk Sint Marie te
Utrecht als ambachtsheren van Lopik en Lopikerkapel. Zij kochten in
juli 1486 een stuk land ten zuid-oosten van Haastrecht - genaamd de
Grote Hofkamp - met enige omliggende gronden om aldaar een hoge
boezem in te richten.
De eerste "bovenmolen" werd peilmolen (of seinmolen, dat wil
zeggen dat deze molen door middel van seinen naar andere molens in
de omgeving het peil aangaf) toen er later meer molens aan de Hooge
Boezem bij kwamen. In 1532 werd een viertal bovenmolens bij
gebouwd. Daarna kwam er nog een zesde en verrees kort vóór 1578 aan
de Hooge Boezem een zevende bovenmolen. De bemaling met
windwatermolens heeft ruim drie eeuwen stand kunnen houden. Tegen
het midden van de 19e eeuw vond de bemaling van de Lopiker- en
Krimpenerwaard plaats met elk rond de 40 windwatermolens.
Door de voortgaande daling van het maaiveld moest men naar middelen
uitzien om aan het waterbezwaar op de Vlistboezem het hoofd te
bieden. De stoommachine bracht daarvoor uitkomst. In de tweede
helft van de 18e eeuw zijn in ons land pogingen ondernomen om
stoommachines, die bij de Engelse mijnen in gebruik waren, toe te
passen voor polderbemaling met een overigens matig succes wegens
technische gebreken en een hoog brandstofgebruik.
In 1860 werd de Waaiersluis aangelegd, waarbij het gedeelte ten
oosten ervan sindsdien Gekanaliseerde Hollandse IJssel en het
gedeelte ten westen Open Hollandse IJssel heet. Na deze afdamming
was het op de Gekanaliseerde Hollandse IJssel niet goed meer
mogelijk om te profiteren van de lage ebstanden, die op de Open
Hollandse IJssel nog wel bleven bestaan. Maar ook de lozing van
water op de Open Hollandse IJssel door polders in de Krimpenerwaard
door begon problemen op te leveren.
In 1872/1873 is aan de Hooge Boezem achter Haastrecht een
hulpstoomgemaal met scheprad gebouwd, dat zowel de Lage Vlistboezem
als de Hooge Boezem kon bemalen. Dit gemaal kreeg de naam "S.I. van
Nooten", voorzitter van het waterschapsbestuur.
De zeven bovenmolens bleven nog 40 jaar in gebruik om water uit de
Lage Vlistboezem op de Hooge Boezem te malen. In 1913/1914 heeft
men het hulpstoomgemaal omgebouwd tot een nieuw en krachtig
stoomgemaal dat het water uit de Lage Vlistboezem rechtstreeks op
de Hollandse IJssel uitmaalde. Daarbij is het scheprad vervangen
door twee centrifugaalpompen. De Hooge Boezem en de zeven
bovenmolens werden toen overbodig en buiten gebruik gesteld, met
uitzondering van de stenen romp van de zesde molen, de zgn.
"peperbus", die toen tot woning is verbouwd.
De stoommachine is in 1948 vervangen door twee electromotoren. Deze
capaciteit kon meerdere bemalingspunten overnemen. Daardoor kon in
1990 het oude gemaal van de Vlistboezem buiten gebruik gesteld
worden en vervangen door een modern electrisch poldergemaal. Dit
nieuwe gemaal staat op de plaats van het eveneens opgeheven oude
gemaal van Polsbroek ten oosten van Haastrecht en bemaalt nu het
noordwestelijke gebied van de Lopikerwaard.
In verband met maaiveldzakking in de polders, waarbij ook
boezemkaden aan zakking onderhevig waren, is het peil van de
Vlistboezem in de loop der tijd mede aangepast. In 1850 was het
peil op de Vlistboezem nog 9 cm beneden (N)AP en in 1962 kwam het
in de praktijk gehandhaafde peil op 63 cm beneden NAP. We zien
hieruit dat het peil van de Vlistboezem in de loop van 112 jaar met
54 cm is aangepast, overeenkomende met gemiddeld 4,8 mm per jaar.
Deze peilaanpassing benadert de gemiddelde waarde van ongeveer 5 mm
per jaar, die voor maaiveldzakking bij veengronden in het
westelijke veenweidegebied gedurende de laatste honderd jaar naar
voren komt.
Auteur: drs. H.M. van der Linde
Archieven:
Literatuur:
Websites: