Van 1734 tot 1773 werd de Gereformeerde kerk (thans Hervormde gemeente) van Woubrugge bediend door een predikant van Schotse afkomst. Deze predikant, Alexander Comrie, stond bekend om zijn rechtzinnige leer. Door zijn publicaties heeft hij veel invloed uitgeoefend op het theologisch eigene van de Gereformeerde kerken en kreeg hij ook landelijke bekendheid.
Alexander Comrie werd in Perth (Schotland) geboren op 16
december 1706 als zoon van Patrick Comrie en Rachel Vause. In zijn
jeugd kwam hij in aanraking met de prediking van de broers Ralph en
Ebenezer Erskine en Thomas Boston.
Alexander vertrok naar de Republiek der Verenigde Nederlanden rond
1726 waar hij in Rotterdam werk aannam in de handel. Er bestaat een
vermoeden dat zijn vader, vanwege een financieel verlies, de kosten
voor zijn opleiding niet kon dragen. Toen de koopman, op wiens
kantoor Comrie werkte, merkte dat de belangstelling van Comrie niet
op de handel maar op het predikantsambt was gericht, nam hij
contact op met vrienden die ervoor zorgden dat middelen beschikbaar
kwamen zodat Comrie kon gaan studeren. Comrie studeerde daarna te
Groningen (1729) en Leiden (1733). Hij promoveerde in 1734. Een
jaar na zijn promotie werd Comrie predikant in Woubrugge.
In dat dorp was onder invloed van een uit Benthuizen afkomstige
veenbaas, Claas Jansz Poldervaart, een geeestelijke opwekking
ontstaan. Vanaf 1714 vonden onder leiding van Poldervaart
conventikels plaats waar werken van Brakel en Van der Kemp werden
gelezen. Comrie werd op 1 mei 1735 in Woubrugge bevestigd door
Nicolaas Holtius. De tekst voor zijn intreepreek was Zacharia 6
vers 15: "En die verre zijn, zullen komen en zullen bouwen in
de tempel des Heeren, en gijlieden zult weten, dat de Heere der
heirscharen mij tot u gezonden heeft." In Woubrugge was Comrie
zeer geliefd en stond hij in hoge achting. Hij besteedde erg veel
zorg aan zijn preken, waarvan een groot aantal in druk verscheen.
Zo verscheen in 1749 een serie boetepreken onder de titel
"verzameling van leerredenen". Comrie besteedde weinig tijd aan
huisbezoeken en ook met betrekking tot zijn taak als kerkbestuurder
was hij niet sterk. Dat blijkt uit zijn houding tijdens het
conflict over de heerlijke rechten van de vrijheren van Woubrugge.
De vrijheren bezaten het collatierecht op grond waarvan zij grote
bevoegdheden claimden bij de beroeping van predikanten. Al voor de
komst van Comrie waren de vrijheren daarover in conflict gekomen
met de classis Leiden en de kerkenraad van Woubrugge. In dit
geschil, dat jarenlang duurde, stond Comrie soms aan de kant van de
classis en dan weer aan die van de vrijheren. Het probleem zal zijn
veroorzaakt door het feit dat hij de vrijheren, hooggeplaatse en
vrome gemeenteleden, die hij bovendien als zijn broodheren zag,
moeilijk kon afvallen.
Comrie heeft door zijn geschriften vooral invloed uitgeoefend op
de theologie van de Gereformeerde kerk. Hij publiceerde 23 grote en
kleinere werken. Met name daardoor kreeg hij al in zijn eigen tijd
veel bekendheid. In zijn publicaties keerde hij zich tegen de geest
van verlichting en tolerantie die in de loop van de achttiende eeuw
aan de universiteiten opkwam en ook, zij het nog op kleine schaal,
vanaf de kansels werd gepreekt.
Met zijn genabuurde collega Holtius publiceerde Comrie ook anoniem.
Een van de voorbeelden daarvan is de uitgave van tien samenspraken
tussen Orthodoxus (rechtzinnige), Pantanechomenus (alverdragende),
Adiaphorus (onverschillige), Philaletes( waarheidlievende) en
Euruodius (bredeweghoudende). De tien samenspraken verschenen
tussen 1753 en 1759 en zorgden voor veel opzien en reactie. Toen
bekend werd wie de auteurs waren en Holtius een scherpe aanval had
gedaan op de hoogleraar Van den Honert, kreeg Holtius een
publicatieverbod van de Staten van Holland, waardoor hij en Comrie
hun arbeid staakten.
Tijdens zijn verblijf in Woubrugge werd zeven keer een beroep op
Comrie uitgebracht. Voor alle beroepen bedankte hij. In de winter
van 1770 en 1771 werd Comrie ziek en in de zomer van 1771 vroeg hij
daarom emeritaat aan. Op 4 april 1773 sprak hij een afscheidswoord
en nog voordat zijn opvolger zijn dienswerk kon overnemen, vertrok
Comrie naar Gouda. Op 10 december 1774 overleed hij in die stad.
Hij werd op 13 december begraven in de Sint-Janskerk. Comrie is
twee keer getrouwd geweest. In 1737 trouwde hij met Johanna de
Heijde (1730-1738). Hij hertrouwde in 1741 met Maria van der Pijll
(overleden 1764). In 1766 hertrouwde hij met Catharina de Reus
(1722-1809). De biograaf van Comrie, dr. A.G. Honig, vermeldt, met
een verwijzing naar de "Boekzaal", een vierregelig vers betreffende
Comrie: "Werd Macedonisch vorst met recht genoemd den grooten, Om
dat gansch Asiën zijn scepter hulde bood? Dees Alexander, in dit
sombre graf beslooten, Was grooter, wan zijn pen verwon èn hel èn
dood".
Als herinnering aan het langdurige verblijf van Alexander Comrie in
Woubrugge werd in 1946 een straat, de Comriekade, naar hem
vernoemd.
Literatuur: