Het noorden van Zevenhuizen tussen de Rottekade en de landscheiding van Waddinxveen bestond uit de Catgespolder en de Moerpolder. In 1727 waren deze beide polders geheel verveend. Het dorp Zevenhuizen werd door de plassen bedreigd. Vooral in Noord-Holland waren al verschillende plassen ingepolderd met veel gewin voor de droogmakers. Het was dus niet vreemd dat de vermogende ambachtsheer van Zevenhuizen, Anthony van Outheusden hiervoor ook wel kansen zag. Hij vroeg daarom octrooi aan om een gedeelte van de Catgespolder en de Moerpolder gelegen tussen Rottekade en Noordeinde te mogen inpolderen. Met voortvarendheid werd de inpoldering ter hand genomen.
De Tweemanspolder, de polder tussen de Hennipsloot en de Moerkapelse Zijde, is in de jaren 1727 - 1728 met behulp van vijf molens drooggemaakt. Reeds in 1728 was het gebied goed omdijkt en in 1730 werd de polder bezaaid. Het land was verkaveld en de verkoop vond plaats in 1731. Behalve door inwoners in de omgeving van Zevenhuizen, valt op dat grote partijen land gekocht werden door rijke stedelingen.
Bij deze droogmakingen maakte men niet alleen dankbaar gebruik van de al bestaande molens, maar werden ook nieuwe molens gebruikt. De oude molens vormden dan het bovengemaal van de polder, dat ook vaak nog versterkt werd met de bouw van nieuwe. Uiteraard maalde dit al dan niet versterkte bovengemaal het water niet dieper weg dan voor de droogmaking.
Een molengang (ook maalgang) is daarom een aantal samenwerkende poldermolens voor het droogmaken en -houden van een polder. Door de maximale opvoerhoogte van ongeveer 1,50 meter per molenrad, was het bij diepere polders noodzakelijk dat het water in 'trappen' omhoog werd gebracht. De laagste molen (de zgn. ondermolen) schept het water naar de onderboezem; de hoogste molen (bovenmolen) schept het water naar de ringvaart. De 'molengang' bestaat doorgaans uit twee trappen (tweegang) of drie trappen (driegang). Bij een driegang is er naast de onderboezem ook nog een tussenboezem. Er zijn naast molenviergangen zelfs een zesgangen gebouwd.
De situatie rond het bemalen van de Tweemanspolder was zeer ingewikkeld, hetgeen men uit de huidige toestand (een "normale" viergang) beslist niet kan afleiden. Om tot goed begrip te komen, leze men vooral het artikel in Verleden Tijdschrift no. 16, maart 1989, waarin de heer J.S. Bakker gedetailleerd op de ontwikkelingsgeschiedenis in gaat.
Na de vervanging van het scheprad door een vijzel in de 18e en 19e eeuw werd de opvoerhoogte per molen verhoogd en is het aantal trappen van veel molengangen teruggebracht. De werkloos geworden windmolens werden gesloopt voor onderdelen, verplaatst of verkocht.
Het polderbestuur van de Tweemanspolder had hart voor de molens, zeker de dijkgraaf Simon Paul. Nog in 1950 was het scheprad van de ondermolen vervangen door een centrifugaalpomp om het water dieper weg te kunnen malen. Er was en werd wel gesproken over de bouw van een gemaal, maar tot nog toe was het daarbij gebleven. Dat veranderde toen omstreeks die tijd de molens getroffen werden door een serie ongelukken. In 1949 was er brand in No. 2. In 1950 verspeelde de ondermolen, No. 1, een gang kammen in het bovenwiel. Tot overmaat van ramp gooide No. 2 op 3 januari 1951 er een roede uit. Ondanks het feit, dat de molen snel hersteld werd door Ottevanger uit Moerkapelle, kwam er nu een gemaal.
De Tweemanspolder was ook de laatste polder van de Rotte, die alleen met windkracht bemalen werd. Daar bleef het oude vak nog het langst in leven tot 1 juni 1952, toen de molens officieel stilgezet werden. Aanvankelijk vreesde men, dat de vier molens het lot van de 74 andere zouden delen: sloop. Het zou wel gaan zoals bij andere molens langs de Rotte: de molens verkopen aan de molenaars, die de molens vervolgens lieten slopen tot op de eerste bintlaag. Gelukkig is het een noch het ander gebeurd. In 1954 kwamen de molens in handen van de Stichting tot instandhouding van de molenviergang van de Tweemanspolder, waardoor het behoud verzekerd was. Bovendien verzorgt deze stichting zijn eigendommen uitstekend.
Het molenaar-zijn in de Tweemanspolder is geen bikkelharde strijd om het bestaan meer. Dat was het wel. De molenaarssalarissen waren oudtijds zeker geen vetpot. Er moesten wel neveninkomsten zijn. Men hield wat vee op de boezemkaden en/of men zocht er nog een baantje bij, vaak bij boeren. Van lieverlede verlieten de oude molenaars de molens: Jan van de Bos, Cor Boele en Dirk van de Bos. Tot nog toe bleef alleen Jan Ottevanger, de laatste beroepsmolenaar van de Rotte, vakman van het oude stempel, over. Wanneer hij de molen verlaat, komt er een einde aan het laatste restje molenleven van de Rotte.
Auteur: drs.H.M. van der Linde
Archieven:
Literatuur:
Websites: