korenmolen nieuwkoop

De korenmolen in Nieuwkoop

De oudste vermelding van de korenmolen te Nieuwkoop stamt uit 1542. In het verpondingskohier is een rekening bijgevoegd van de baljuw waarin wordt vermeld dat van de 'weintmolen' niets is ontvangen. In 1556 is Arien Jansz molenaar op de molen, maar hij woonde elders. Vanaf 1562 tot het begin van de zeventiende eeuw is tot nu toe niets bekend over de geschiedenis van de molen.

 Vanaf 1607 wordt Adriaen Claesz regelmatig vermeld als molenaar in de rechterlijke archieven van Nieuwkoop en in het jaar 1623 vond de eerste bekende verkoop plaats. Adriaen Claesz verkocht in juli van dat jaar een korenmolen met grond, alsmede een erf met huisje aan het Noordeinde van Nieuwkoop aan Steven Dircxsz. De koopsom bedroeg het niet geringe bedrag van 3.000 gulden. Na het overlijden van Steven Dircksz verkochten zijn erfgenamen in 1641 de molen aan drie eigenaren, waarvan er één ook echt molenaar was. De twee andere kopers zullen de koop wel beschouwd hebben als geldbelegging, want al snel werd de korenmolen verkocht.

 De molen met huisje en erf kwam in 1642 in handen van molenaar Willem Ghijsbertsz Brack. De korenmolen is twaalf jaar in bezit geweest van vader en zoon Brack. Waarschijnlijk hebben zij in deze periode de molen vernieuwd of een stenen molen laten bouwen. De koopsom is namelijk 2.359 gulden hoger dan in 1642. Zo'n waardestijging in twaalf jaar is niet aannemelijk als het dezelfde korenmolen betreft. Willem verkocht de molen in 1653 aan Hoef Anthonisz vamn Snelrewaert die op zijn beurt de molen 5 jaar later verkocht aan Engel Willemsz van Dijk. Hij overleed omstreeks 1666; in dat jaar wordt zijn vrouw, Marritgen Arisdr van der Wel, als weduwe van Engel genoemd. Haar tweede man overleed in 1699.

 In 1705 verkocht Marritgen de stenen korenmolen met een huis, erf en schuur aan Dirck en Tomas van der Neut. Waarschijnlijk waren zij de eigenaren, maar verhuurden zij de molen aan anderen. Willem Engelsz van Dijk, waarschijnlijk de zoon van Marritgen, huurde voor een periode van vijf jaar de molen en het huis. Na 36 jaar verwisselde de korenmolen opnieuw van eigenaar en werd de korenmolen en het huis, erf en schuur verkocht aan Jacobus van Rhijn. Hij verkocht in 1742 het huis dat sinds 1623 bij de korenmolen hoorde tezamen met het erf en de schuur en kocht in hetzelfde jaar een huis met erf, schuur en smidshuis elders aan het Noordeinde. Vanaf die tijd was dit huis het molenhuis waarin de korenmolenaar woonde. Het is niet bekend of Jacobus van Rhijn het vak van korenmolenaar heeft beoefend, maar waarschijnlijk verhuurde hij de molen.

 De volgende eigenaar, Wouter van Eijk, heeft de molen in bezit gehad vanaf 1757 tot aan zijn overlijden in 1758. Zijn weduwe Jannigje van Rooijen bleef met twee kleine kinderen achter en overleed tien jaar later. Wie vanaf dat moment de molen in bedrijf hield is niet bekend. In 1773 verkochten de voogden over de twee minderjarige kinderen van Wouter van Eijk en Jannigje van Rooijen delen van de molen aan Gijsbert van Eijk, mogelijk een zoon van Wouter van Eijk. Gijsbert vergrootte in 1775 zijn aandeel in de molen en was nu volledig eigenaar van de molen. Jan Langeveld kocht in 1797 de stenen korenmolen en een huis, erf en twee schuren van Gijsbert. Het smidshuis had nu plaats gemaakt voor een tweede schuur.

 Dominicus van Niekerk werd in 1819 de nieuwe eigenaar van de molen. Hij overleed in 1820 en liet zijn vrouw Wilhelmina Hoogeveen met vier jonge kinderen achter. Wilhelmina hertrouwde in 1822 met Jacobus van Berkensteijn. Hij had ten tijde van het huwelijk tussen Wilhelmina en Dominicus, waar hij tevens getuige was, als molenaar op de molen gewerkt. Daarna was hij als gruttersknecht in dienst bij Gerrit van Niekerk, de vader van Dominicus. Op 12 janari 1824 overleed Wilhelmina. Jacobus van Berkensteijn bleef maar drie maanden weduwnaar en hertrouwde met Ana van Niekerk, een jongere zus van Dominicus. Anna overleed in 1835.

 Willem van Niekerk, zoon van Dominicus van Niekerk en Wilhelmina Hoogeveen, werd in 1843 23 jaar, dus meerderjarig. Vanaf dat moment maakte hij aanspraak op zijn wettelijk erfdeel in het onroerend goed. In augustus 1843 vond voor de notaris te Nieuwkoop de scheiding plaats van de gemeenschappelijke boedels van Dominicus van Niekerk en Wilhelmina Hoogeveen, van Jacobus van Berkensteijn en Wilhelmina Hoogeveen en van Jacobus van Berkensteijn en Anna van Niekerk. Willem van Niekerk ontving de korenmolen met toebehoren en het huis, erf en schuur, genaamd 'het Molenhuis'. Het 'toebehoren' van de molen bestond uit een molenwagen, molenschuit, roeischuit, ijsslede met een stel leren, een bed met toebehoren, een slijpsteen met bak en draaier en een polderboom. Willem was tot aan zijn overlijden in 1891 de eigenaar van de molen. Na zijn overlijden werd zijn zoon Dominicus eigenaar van de molen en het huis.

 In 1904 verkocht Dominicus van Niekerk de korenmolen aan Zijvert Zulver en Michiel van der Ent Braat. Waarschijnlijk huurde Cornelis Bastiaan van der Ent Braat de molen vanaf die tijd, totdat hij de molen kocht in 1914. Een jaar later verkocht hij de molen aan Simon Bodegraven die de molen doorverkocht voor sloop aan een Aalsmeerse zakenman. De molen werd in 1916 gesloopt. Zo kwam er een einde aan de korenmolen in Nieuwkoop die bijna vier eeuwen koren had gemaald.

 

Literatuur:

  • Wilde, F. de, 2009, De korenmolen van Nieuwkoop, deel 1. Rondom Niewecoop 19 (2), 14-23.
  • Wilde, F., de, 2009, De korenmolen van Nieuwkoop, Deel 2. Rondom Niewecoop 19 (3), 9-15.


Reactie plaatsen




bijlage of video toevoegen





Houd mij op de hoogte van reacties op mijn inzending

Ik ga akkoord met de voorwaarden

* Verplicht invullen

Zoeken

Plaats

Molens

Terug naar

Molens

Oude kerk AlphenBenthorn in de negentiende eeuwHendrik StevinKasteel van Gouda