Tot aan het eind van de achttiende eeuw wordt het joden niet
gemakkelijk gemaakt om zich in Nederland te vestigen, laat staan om
er een toekomst op te bouwen. Dat verandert in de Franse tijd, als
met de staatsregeling van 1798 aan alle religies vrijheid van
godsdienst wordt verleend. Dan kan er ook in Gouda een gemeente
ontstaan. Op 14 december 1798 kopen Abraham Sanders en Simon Joseph
het kerkgebouw van de Doopsgezinde gemeente aan de Turfmarkt 23. De
koopsom bedraagt ƒ 800,-. Er wordt ƒ 350,- geleend, waarvan tegen
een rente van 4 % jaarlijks vijftig gulden wordt afgelost, voor het
laatst op 1 mei 1806.
Op 28 november 1823 verzoeken twee gemeenteleden aan Gedeputeerde
Staten om de bouwvallig geworden synagoge te mogen verkopen en een
nieuwe te bouwen. Het bij de sloop van de oude synagoge vrijgekomen
materiaal brengt ƒ 510,- op. Door middel van collecten,
inschrijving en voorschotten is inmiddels ƒ 5000 bijeengebracht. De
leraar Mozes Monasch reist zelfs naar Engeland om gelden in te
zamelen. Na verkregen toestemming door het gemeentebestuur, kan met
de bouw van een nieuwe sjoel worden begonnen. Tijdens de
bouwperiode vinden de diensten plaats in de Looihal aan de
Jeruzalemstraat (de voormalige kapel van het Collatiehuis) die door
de gemeente voor dit doel is afgestaan.
Op 7 september 1827 nodigen de parnassijns (kerkmeesters) van de
Nederlandsch Israëlitische gemeente burgemeester en wethouders van
Gouda uit om het inwijdingsfeest op 14 september bij te wonen. De
invitatie wordt dezelfde dag nog aangenomen, het moet die dag een
hele drukte zijn geweest aan de smalle gracht met zijn vele
turfschepen. In 1843 wonen er in Gouda 320 joden, de synagoge heeft
twee bijkerken: een in Schoonhoven en een in Woerden.
In 1927 wordt op grootse wijze het eeuwfeest van de synagoge
gevierd, waarbij veel geschenken worden ontvangen. Niemand kan dan
vermoeden dat er vijftien jaar later op wrede wijze een eind
gemaakt zal worden aan het leven van de joodse stadsgenoten.
Sinds de Duitse inval in 1940 gelden voor hen allerlei beperkende
maatregelen, maar het ergste moet nog komen. In oktober en november
1942 worden Goudse joden in groepen weggevoerd, in 1943 gevolgd
door de bejaarde bewoners van het Centraal Tehuis en nog 45 andere
joden. Van het interieur van de synagoge blijft weinig over,
hetzelfde geldt voor het schoollokaal en het rituele bad. De
inventaris wordt geroofd, waaronder vijf voorhangsels van de ark en
acht thorarollen. Alleen de omlijsting van de ark waarin de
thorarollen worden bewaard is dan nog intact. Na enige jaren van
leegstand wordt op 21 juni 1950 de synagoge met nog twee woonhuizen
verkocht aan de Vrije Evangelische gemeente voor ƒ 48.000,-.
Voorwaarde is dat de Hebreeuwse tekst op het kerkgebouw wordt
verwijderd of bedekt. In museumgoudA worden nog enkele rituele
voorwerpen bewaard: siertorens van de thorarollen, jads of
handwijzers een Estherrol en de chanoekalamp.
Aan de deur van de voormalige synagoge is op 9 september 1997 een plaquette onthuld van de kunstenaar Ralph Prins. Het stelt het Goudse stadswapen voor met vijf in plaats van de zes sterren, één is er gevallen als symbool voor het verlies van het joodse deel van de Goudse bevolking.
Auteur: H. van Dolder - de Wit
Literatuur:
Websites: