Verscholen achter kastanjebomen, tussen het "kanaal om Alphen" en de "Adventskerk", staat een grafkapel. De kapel bevat de lichamen van 21 leden van de familie De Smeth.
Op 17 november 1772 overleed Theodorus de Smeth, sinds 1766 ambachtsheer van Alphen en Rietveld. De in Amsterdam wonende bankier De Smeth werd vijf dagen na zijn overlijden in de Alphense dorpskerk begraven. Hij vond een tijdelijk graf, want zijn verwanten gaven de wens te kennen om aan de dorpskerk een eigen grafkapel te laten bouwen. De grafkapel was in 1773 gereed en was vanuit de kerk toegankelijk. Met de kerkmeesters en schout en schepenen van Alphen werd overeengekomen dat de familie De Smeth aan de kerk 2000,- gulden zou schenken. De kerk zou uit de opbrengst van het fonds ten eeuwige dage de lasten van het schoonhouden van de kapel bekostigen. Toen aan het begin van de 19e eeuw het begraven in kerken werd verboden, werd de toegang vanuit de kerk dichtgemetseld. In de grafkapel werd een deur gemaakt waardoor een nieuwe toegang ontstond. Mede daardoor bleef de grafkapel ongeschonden achter toen op 7 april 1916 de Alphense dorpskerk geheel uitbrandde. De voormalige afscheidingsmuur met de kerk werd vervangen door een nieuwe buitenmuur, want bij de bouw van de nieuwe kerk, die in 1922 in gebruik werd genomen, bleef de kapel vrijstaan.
De volgende decennia ging de bouwkundige toestand van de kapel achteruit. Aan het eind van de zestiger jaren werd de gemeente opmerkzaam gemaakt op de erbarmelijke staat waarin het monument verkeerde. Onderhandelingen met de eigenaar leidden er toe dat de gemeente de kapel voor het symbolische bedrag van 2,50 gulden kocht van de eigenaar, P.A.J. Baron de Smeth. In de jaren 1973/1974 werd de grafkapel gerestaureerd. Tussen 1773 en 1887 zijn in de grafkapel 21 leden van de familie De Smeth bijgezet in twintig kisten en kistjes.
Bronnen en literatuur: