Gedurende de achttiende eeuw waren in Aarlanderveen aan de Lage Zijde van de Rijn een aantal uit Gouda afkomstige pijpenmakers actief. De aanwezigheid van turf als brandstof en de mogelijkheid van aanvoer van grondstoffen en afvoer van producten via de Oude Rijn. Van even groot belang echter was het feit dat ze op het platteland niet aan de strenge gildenregels waren onderworpen.
De aanwezigheid van turf was één van de redenen dat rond 1700
aan de Lage Zijde van de Rijn een tabakspijpenindustrie ontstond,
die in het midden van de achttiende eeuw tot de grootste bloei
kwam. De buurt was zeer gunstig gelegen aan het open vaarwater van
de Oude Rijn, waarover een goede en goedkope aan- en afvoer van
grondstoffen en producten mogelijk was. Een andere reden was dat
een aantal Goudse pijpenmakers verhuisde naar Aarlanderveen om daar
een bedrijfje te beginnen. In Gouda was namelijk niet voldoende
ruimte om hun beroep uit te oefenen en waren zij bovendien
onderworpen aan de strenge regels van het stedelijke
pijpenmakersgilde. Op het platteland bestond zo'n gilde niet. De
meeste pijpenmakers waren zogenaamde kleine zelfstandigen. Hun
bedrijfjes waren te klein om personeel in dienst te nemen en daarom
moest het hele gezin meewerken. Hun huizen lagen vol met
gereedschappen, pijpaarde en onafgemaakte pijpen. Het was een
duidelijke vorm van huisindustrie. Zij hadden ook geen eigen oven.
Hun pijpen werden per schip vervoerd naar Oudshoorn om ze daar in
de pottenbakkersoven van Jacobus van Giffen te laten bakken.
Eén van deze bedrijfjes wist uit te groeien tot een echte
pijpenfabriek. Het bedrijf was gevestigd in een pand aan de Aardijk
vlak naast de brug over de Gemeene Sloot, die daar in de Kromme Aar
uitmondde. Het was een uitstekende plaats, omdat schepen voor het
huis konden afmeren. Magtelt Andriesse Hoogstraten leidde samen met
haar man Jan Jansz Versluijs het bedrijf, dat over een eigen oven
beschikte. Dit was waarschijnlijk de reden dat het bedrijf na 1721
tot grote bloei kwam. Haar zoon Philip Hoogenboom dreef in het
naastgelegen pand een pijpenmakerswinkel en maakte gebruik van zijn
moeders oven. Waarschijnlijk werden in deze oven ook de producten
van collega-pijpenmakers uit Alphen en Aarlanderveen gebakken.
Nadat Philip het bedrijf van zijn moeder had overgenomen, bouwde
hij het uit tot een pijpenindustrie met een internationale
afzetmarkt. Via handelaren verkocht hij zijn pijpen in Frankrijk,
Duitsland, het Oostzeegebied en op de Spaanse eilanden. In de
hoogtijdagen van zijn bedrijf, rond 1750, werkten er ongeveer
dertig mannen en vrouwen. Vijf schippers waren voor hem in de weer.
Drie van hen vervoerden gemiddeld 30 ton pijpaarde per maand naar
het bedrijf, de vierde bracht de benodigde turf en de vijfde
schipper verzorgde het transport van de pijpen.
Na het overlijden van Philip Hoogenboom in 1764 ging de fabriek
regelmatig in andere handen over, wat de gang van zaken niet ten
goede kwam. Het bedrijf ging steeds verder achteruit en het
oorspronkelijk zeer uitgebreide assortiment was op het laatst
teruggebracht tot enkele modellen. De kwaliteit van de pijpen werd
ook steeds minder. De laatste eigenaar van het bedrijf was Pieter
de Rijk, die in 1795 overleed. Met zijn overlijden ging het
pijpenmakersbedrijf aan de Aardijk ter ziele.
Bronnen en literatuur: