Al snel na de aanleg van de Oosterbegraafplaats in de jaren dertig van de twintigste eeuw, werden de negentiende eeuwse begraafplaatsen in de gemeente Alphen aan den Rijn gesloten. Al snel volgde daarna de ruiming en bleef van de begraafplaatsen niets over. Eén dodenakker, die van de voormalige gemeente Oudshoorn, bleef als stiltecentrum behouden.
Aan het einde van de jaren dertig van de twintigste eeuw werd door de gemeente Alphen aan den Rijn een nieuwe begraafplaats aangelegd aan de Verlengde Aarkade, de Oosterbegraafplaats. Vanaf 1829, toen het begraven in kerken definitief verboden werd, hadden de burgerlijke gemeenten van Aarlanderveen, Alphen en Oudshoorn, openbare begraafplaatsen buiten de dorpskern ingericht. Met de openstelling van de nieuwe Oosterbegraafplaats raakten de algemene begraafplaatsen van de drie voormalige gemeentedelen, met uitzondering van de begraafplaats aan het Zuideinde in Aarlanderveen, buiten gebruik. Na 1940 vonden slechts in enkele familiegraven nog bijzettingen plaats en verder verstilden deze plaatsen van verdriet en bezinning.
In de jaren vijftig besloot de gemeente om de oude begraafplaats van Aarlanderveen-Lage Zijde, onderaan de Oranje Nassaubrug langs het Aarkanaal, officieel te sluiten. Hetzelfde lot onderging de begraafplaats van Oudshoorn aan de Oudshoornse weg en die van Alphen aan de Castellumstraat achter het Oude Weeshuis. Bezoek kwam er praktisch niet meer, het onderhoud werd gestaakt en later nam het vandalisme toe.
Met name de oude begraafplaats aan de Castellumstraat werd steeds benauwder omgeven door stedelijke bebouwing en de waarde van het perceel nam toe voor commerciële doelen. Om deze plek te kunnen benutten voor de zogenaamde Castellum-as en de latere Stadshartontwikkeling werd besloten om de begraafplaats te laten ruimen. Gelijktijdig konden ook de begraafplaatsen aan de Kortsteekterbuurt en aan de Oudshoornse weg in die werkzaamheden meegenomen worden.
De dubbele familiegrafkelder van de familie Piek op de gesloten begraafplaats van Oudshoorn leverde problemen op. Deze rustplaats bleek voor onbepaalde tijd uitgegeven te zijn (zg. eeuwige rechten). Bovendien verzette de familie zich tegen ruiming. Dat had tot consequentie dat het perceel geen bestemming kon krijgen voor bouwactiviteiten en dat slechts openbaar groen mét handhaving van de grafkelder de toekomst kon zijn. Deze oplossing bood ook de mogelijkheid om rondom deze grafkelder andere overblijvende zerken en stenen van cultuur-historische waarde te verzamelen. Wie wel autochtoon is, maar niet op de hoogte is van de herkomst van de zerken, fronst in verwondering de wenkbrauwen dat een echte Alphense naam in Oudshoorn prijkt.
Wie foto's ziet van met name de kelders achteraan de begraafplaats van Alphen waar de notabelen van de negentiende eeuw zij aan zij lagen, beseft wat Sic transit gloria mundi inhoudt. De graven van mensen die in hun tijd gerespecteerd of gevreesd werden, die synoniem waren aan gezag of macht, zijn rigoureus opgeruimd. De resten bijeengeveegd, de statige zerken kapotgeslagen en vermalen. De 'tand des tijds' heeft slechts een achttiental stenen relicten gespaard voor dit stiltecentrum rondom de grafkelder van Kalkoven-Piek op het perceel tussen verpleegtehuis Oudshoorn en de drukke Oudshoornse weg en de Oude Rijn. Vermeldenswaardig is voorts dat het huidige toegangshek afkomstig is van de oude begraafplaats aan de Castellumstraat.
Nog één zerk van een geruimde begraafplaats is het vermelden waard. Tussen de grafkapel De Smeth achter de Adventskerk en het Kanaal achter Alphen ligt de grafsteen van J. Werner Baron van Pallandt van Oud-Beijerland (overleden 1907) en zijn echtgenote L.C.J. Baronesse van Brakell-Doorwerth (overleden 1884).
Toen de begraafplaats geruimd werd, is tenminste de zerk nog nabij de grafkapel van De Smeth neergelegd.
(H.J. Habermehl)