De aanleg van de begraafplaats aan de Lage Zijde is een gevolg
van het besluit van 7 december 1898 van de gemeente Alphen, om met
ingang van 1 januari 1900 op hun begraafplaats geen lijken meer te
laten begraven uit andere gemeenten. Met name betrof dat de
overledenen, jaarlijks zo'n veertig, uit het Aarlanderveense
gemeentedeel Lage Zijde. Die moesten vanaf dat moment worden
begraven op de enige Algemene begraafplaats die Aarlanderveen op
dat moment rijk was, die aan het Zuideinde in Aarlanderveen-dorp.
Gezien de afstand zou dat een kostbare zaak worden, voor de armen
zelfs onbetaalbaar. Om aan dat probleem tegemoet te komen, besloten
de Aarlanderveense bestuurders een tweede begraafplaats aan te
leggen aan de Lage Zijde. Er werd snel gehandeld. In mei 1899 werd
van Jacob Lucius Henricus de Jong Schouwenburg een stuk weiland van
2.573 m² meter met de daarvoor liggende weg van 70 m² meter
aangekocht. De gemeente betaalde 2.643 gulden, dus een gulden per
vierkante meter, voor het perceel. Het lag langs de weg van Leiden
naar Woerden, vrijwel op de hoek van de Rijn en het Aarkanaal, bij
de brug over het Aarkanaal. Op 24 mei 1899, een week na het
notariële transport van het perceel land, werd de aanleg van de
begraafplaats, de bouw van een barenhuis met barak en het maken van
zes grafkelders aanbesteed. Tien aannemers tekenden voor het werk
in. Het werk werd aan de laagste inschrijver, S. Bodegraven te
Nieuwveen, gegund voor 4.262 gulden.
Het terrein werd 50 centimeter uitgegraven en vervolgens opgehoogd
met een zandpakket van 2.35 meter. Op het terrein verrees een
gebouwtje van 8 x 4,5 meter, voor de helft bestemd als barenhuis en
voor de andere helft als barak. Het gebouwtje was gedekt met blauwe
kruispannen.
Bij de ingang van de begraafplaats werd een prachtig 14 ½ meter
breed smeedijzeren hek met twee draaihekken geplaatst. De stijlen
naast de draaihekken werden voorzien van, waarschijnlijk
gietijzeren, doodskoppen. Komende vanaf de weg en nadat het
toegangshek was gepasseerd, volgde een bijna 45 meter lang
toegangspad dat aan het einde licht afboog naar rechts. Op dat
punt, waar aan de rechterkant het baarhuis stond, begon de
eigenlijke dodenakker met een lengte van 50 en een breedte van 17
meter.
De begraafplaats was verdeeld in vijf rangen, waarvan de eerste
rang (de duurste) met de zes grafkelders achteraan was
gesitueerd.
De begraafplaats had een breedte van ongeveer 18.00 meter, waar
omheen een haag werd aangeplant. Bestaande sloten rond het terrein
werden uitgediept en andere sloten gegraven zodat het terrein
uiteindelijk aan drie kanten door sloten werd omgeven. De bestaande
sloot aan de wegkant, de voorzijde, werd gedempt.
Volgens het bestek zou de begraafplaats op 1 oktober 1899 moeten
worden opgeleverd. Op 1 november 1899 werd de begraafplaats in
gebruik genomen. Dertien dagen later, op 13 november 1899, werd de
63-jarige timmerman Auke Hamersma als eerste op de begraafplaats
ter aarde besteld. Hij was op 9 november overleden. De
begraafplaats bleef nog geen halve eeuw in gebruik. Door de aanleg
van de Oosterbegraafplaats in de jaren dertig van de twintigste
eeuw, was de begraafplaats, evenals de begraafplaatsen van Alphen
en Oudshoorn, overbodig geworden. Op 16 februari 1946 werd Marinus
Pieter van Dijk als laatste op de begraafplaats aan de Lage Zijde
begraven. Tussen dit tijdstip en de eerste begraving in november
1899 zijn 993 personen ter aarde besteld. Na de sluiting van de
begraafplaats werden tussen 1939 en 1968 acht personen overgebracht
naar de Oosterbegraafplaats en één naar Zwammerdam. In 1986 werd de
begraafplaats geruimd. Het terrein, waarop de begraafplaats was
gesitueerd, is thans nog in het landschap herkenbaar.
Bronnen: