De eerste steen van het huidige stadhuis werd in 1452 gelegd. Het gebouw werd opgetrokken in de gotische stijl. Oorspronkelijk bestond het uit twee ruimten: de nog steeds bestaande ruimte met gewelven op de begane grond en een vertrek direct daarboven. Pas in de 17e eeuw werd het stadhuis uitgebreid met o.a. de huidige raadzaal en de commissiekamer.
Tussen 1775 en 1777 werd het stadhuis aan de buitenzijde ingrijpend veranderd. De spitsbogen werden dichtgemetseld en vervangen door rechthoekige Engelse schuiframen. Het bordes werd vervangen door één van hardstenen platen met een ijzeren balustrade. Bovendien werd het carillon, dat al vanaf 1535 ieder uur een klokkenspel ten beste geeft, aanzienlijk uitgebreid.
Ondanks de nog daaropvolgende veranderingen raakte het gebouw in verval en moest het gerestaureerd worden. Dit gebeurde tussen 1927 en 1929 onder architectuur van De Hoog door de Rijksdienst voor Monumentenzorg in de trant van de moderne vormgeving. Dit betekende dat o.a. de rechthoekige ramen werden gehandhaafd en dat de bordesleeuwen op de dakrand werden gezet. Aan de gevels werd steen afkomstig van de tijdens WO I verwoeste Lakenhal in Ieper (België) verwerkt.
Literatuur: