Moordrecht  portret Muyters man ca1750
Moordrecht  portret Muyters vrouw ca1750

Pendant: schout van Moordrecht met dame...

19 januari 2010 door Adri den Boer   0 reacties

Het jaar 2010 is het jaar waarin de Historische Vereniging Moordrecht verhuist van het Ambachtshuis naar de zolder van het Weeshuis. Dat verhuizen geldt dan ook voor een schout, zeg een burgemeester, uit de 18de eeuw. Hij was daar buitendijks als bruikleen-in-verf, op een schilderij dus, al present vóór de start van de Historische Vereniging in 1993: Moordrecht had in dat pand namelijk eerder (1957-1979) een cultureel centrum met museum.

'Philippus Muyters; naar een portret in het Ambachtshuis te Moordrecht.' Dat stond onder een zwart-witfoto in het Rotterdams Jaarboekje 1972. De bewuste vrijgezel was van 1751 tot 1777 schout van Moordrecht en de Goudse archivaris mr J.E.J. Geselschap schreef anno 1972 over hem in dat jaarboekje. Met Open Monumentendag in september 2009 liep niet alleen burgemeester Huub van der Meer in levenden lijve in dat ambachtshuis van 1797 rond, maar stond dat portret van die verre voorganger van hem er nog steeds. Ernaast stond een bijbehorend portret van een dame, een door archivaris Geselschap doodgezwegen pendant. Een pendant is in de schilderkunst een tegenstuk, een tegenhanger; om het plechtig te zeggen: een schilderij dat met een ander, waarmee het opgehangen wordt, in grootte en trant overeenkomt. Het tweetal is dus geportreretteerd als een stel en staat hier nu ook alle twee afgebeeld. Afgaand op de ingesnoerde gordijnen moet de vrouw links hangen en de man rechts. Panc Vink deed dat afbeelden ook al - zij het in zwart-wit - in het blad Moerdrecht van oktober 2004. 'Als ik de foto's zo naast elkaar zie, dan zouden het best wel eens broer en zus kunnen zijn geweest', zo veronderstelde Vink. Na te hebben gememoreerd dat Philippus in 1716 in de Rotterdamse Hoogstraat was geboren, protestants was gedoopt en eind 1750 naar Moordrecht kwam herhaalde hij het weer: 'Hoewel ik het natuurlijk helemaal niet zeker weet, denk ik toch dat het de portretten zouden kunnen zijn van schout Philippus Muyters en zijn zuster Elisabeth. In leeftijd lijken ze niet zo veel te schelen en ook zijn ze nog niet zo oud. Wellicht zijn de portretten al vóór het jaar 1750 geschilderd.' Dat portrettenkoppel is zeker nièt voor het benoemingsjaar 1750 van Muyters geschilderd: immers, op de lessenaar naast de schout prijkt een door Vink niet genoemd prachtboek met als opschrift: "Protocol van de Landen van Moordrecht". Vink schrijft meestal gezagsgetrouw over schouten en burgemeesters, en ook deze veronderstelling over de identiteit van de jonge vrouw is erg netjes: zijn zuster. (Elisabeth was van 1717 en dus in 1750 33 jaar oud.) Het zou ook nog zijn huishoudster kunnen zijn geweest. Het Museum Catharijne Convent in Utrecht heeft zo ook een portret van Johannes Kok (1760-1822), van 1798-1814 pastoor van Gouda, en een bijbehorende portret van diens huishoudster mejuffrouw Mathot. (Ze werden als stel in 2009 nog afgebeeld in deel 27 van de Waandersreeks 'Geloof in Nederland', met Vrouwen en geloof als onderwerp.)

Muyters overleed in 1777 en de belasting op zijn begraven werd verdubbeld, omdat hij vrijgezel was gebleven en dus nimmer trouwbelasting betaalde, zeg maar wat nu een gedurfde solidariteitsheffing zou zijn. Hij liet naast zijn buitendijks huis in Moordrecht ook nog een huis aan de Hoogstraat in Rotterdam na (en verdiende als schout ook niet slecht: 1200 harde guldens schoon per jaar, maar een schout was ook een soort politiechef…).

Zowel Geselschap in 1972 als Vink in 2004 citeerden uit de 'Korte Beschrijving van de oude Ambagts-Heerlijkheit van Moordrecht', een boekje dat Muyters eeuwen geleden schreef en dat in 1932 werd geschonken aan de Goudse Stadslibrije (nu onderdeel van het streekarchief). In feite zijn het de eigen memoires van Muyters, geschreven ter meerdere eer en glorie van hemzelf. Geselschap citeerde zijn grootse inhaal van 20 november 1750: "… en aan Kortenoord genaderd zijnde, kwamen reets een groot getal voorloopers, die ten dele op mijn vertooning terug liepen en 't overige gedeelte mijn rijtuig vergeselde, en hoe nader ik aan 't dorp kwam, hoe grooter beweeging en gejuig ik gewaar wierd, tot dat ik eindelijk voor de plaats arriveerde alwaar een groote schaare, zoo van de ingezetenen als van de nabij leggende stad Gouda, als mede van andere plaatsen waren te samen gevloeijt."

De overeenkomst tussen zijn portret met het protocol en zijn verslag over zijn inhaal is dat beide laten zien hoezeer ook deze schout genoot van zijn status. En die onbekende jonge vrouw, misschién zijn zus, deed dat waarschijnlijk ook….

Dat Moordrecht 'zelf' eerst in het Ambachtshuis en nu in het Weeshuis historische voorwerpen kan bewaren is een goede zaak. Dat was ooit anders. "Men schrijft ons uit Den Haag: Door den heer W. Tom Azn. te Moordrecht is aan het Haagsch gemeente-museum geschonken een steen, van boven in halven cirkelvorm, van gebakken aarde, waarop, behalve het jaartal 1606 en de letters G.M. is afgebeeld het wapen van Prins Maurits, waardoor het voorwerp als een eigenaardige herinnering aan dien vereerden Prins, van bijzondere waarde is voor het gemeente-museum. (…) De steen werd voor eenige jaren in den Polder uit den grond gegraven, en op de plaats, waar voorheen de zoogenaamde Veenweg liep, en in vroeger eeuwen woningen stonden."

Dat was te lezen in de 'Nieuwe Gorinchemse Courant' van 28 december 1893.

 Verschenen in de rubriek Toen & Nu in: Het Kanaal 20-1-2010

Reactie plaatsen




bijlage of video toevoegen





Houd mij op de hoogte van reacties op mijn inzending

Ik ga akkoord met de voorwaarden

* Verplicht invullen

ZoekenMoordrecht


Korenmolen MoordrechtStormramp 1953MoordrechtKoninklijke Vereenigde Tapijtfabrieken Moordrecht