Aan de dijk in Moordrecht (Westeinde, naast nummer 28) staat een neoclassicistische graftombe op particuliere grond: de grafkelder van de ooit rijke steenbakkersfamilie Drost-IJserman. Recent is de muur om het graf mooi gerestaureerd. Het streekarchief bewaart een foto van de restauratie van 1983, terwijl bijna een eeuw eerder, in 1891, ook herstel had plaatsgevonden. Het is ook een mooi ensemble en de moeite van het restaureren waard! Hoe kwam het er?
Het graf van rond 1850 ligt in de tuin van het huis waar vroeger de familie IJserman en later de familie Drost woonde. Er werden vijf mensen in begraven. ('Zo nu en dan duikt er in Moordrecht het verhaal op als zou in de grafkelder ook een hond begraven liggen. Zelfs hebben wij nog niet zo lang geleden iemand horen beweren, dat er ook een paard in ligt. We hebben daar nergens een bevestiging van kunnen vinden', aldus meester Zonruiter in 1974 in zijn boek over het weeshuis.) Op de kelder staan geen namen, maar het is goed bekend wie er liggen: Cornelia Johanna IJserman (1818-1852), steenfabrikant Willem IJserman (1781-1855), Adriana IJserman-Spruijt (1783-1860), steenfabrikant en statenlid Johannes Drost (1812-1871) en Maria Margaretha Catharina Drost-IJserman (1808-1876). Anders geformuleerd: het echtpaar IJserman met hun twee dochters en hun schoonzoon Drost. In 1854 was bij testament geregeld dat de Hervormde diaconie - de armenzorgers! - de grafkelder zou gaan onderhouden. Dat orgaan kreeg daar dan van de moeder en erflaatster Adriana na haar dood in 1861 een legaat voor van 10.000 gulden 'Nationale Werkelijke Schuld, rentende 2,5%'. Van die 250 gulden per jaar moest ook nog steeds 15 gulden worden besteed aan verteringen bij de jaarlijkse inspectie en rekening. Beide gingen er steeds slechter van. Voor herstel in 1891 droegen de regenten van de stichting Drost-IJserman ook al bij. (Overschotten uit de eerste tijd moesten subiet worden besteed aan Hervormde armenzorg, zodat er geen potje ontstond. De diakenen hadden dus toen al, net als veel ambtenaren nu, weer een 'eindejaarsproblematiek' van geld opmaken!) Het is geen punt dat dit unieke geheel restauratie waard is. Toch heeft het iets dubbels. Zouden ook die diakenen onderweg naar hun jaarlijkse inspectie Psalm 49 niet hebben lopen neuriën? (Dankzij internet heeft nu bijna iedereen die in huis in diverse vertalingen en berijmingen. Wie geen internet heeft, heeft wel een boekje.) Die kerkeraadsleden van toen kenden de berijming van 1773 vast uit het hoofd: '…Vreest hem dan niet, die grote schatten heeft, wiens machtig huis in eer en aanzien leeft; Want hij zal niets in 't sterven met zich dragen; Zijn naam, zijn roem, 't ligt al terneer geslagen.'
De tombe en de grillige Chinese treurwilgen worden omringd door een muur van (natuurlijk) ijsselsteentjes en een smeedijzeren hek. De dekplaat van het graf zelf is gesierd door een urn, waarover een lijkwade (doek) hangt. Om de vier hoeken van het graf staan vier gietijzeren fakkels. Op de opstaande rand van de tombe treft men een slang aan, bijtend in de eigen staart als symbool van de eeuwigheid. Binnen de cirkel die door de slang wordt gevormd is een gevleugelde zandloper te zien; dit net als op het hek van de Oude Begraafplaats in Nieuwerkerk en duidend op het voorbijvliegen van de tijd. Alle symbolen passen in de tijd van het neo-classicisme, de bloeitijd ook van het gietijzer. Dat er op de foto herfstblaadjes op de slang liggen, lijkt passend….
Verschenen in de rubriek Toen & Nu in: Het Kanaal 20-10-2010
Mijn Plaats