Sinds het inwerking treden van de Wet Boeten en Maatregelen, per 1 juli 1997, is in de Algemene Bijstandswet geen verjaringstermijn meer opgenomen voor bijstandsvorderingen. Er is sindsdien aangesloten bij de algemene verjaringstermijn als genoemd in het Burgerlijk Wetboek. De maximale verjaringstermijn is daarin 20 jaar (art. 3:309 BW) hierdoor dienen de bijstandsdossiers eveneens 20 jaar bewaard te worden.
Het is niet zo, dat met het in werking treden van de Wet Werk en
Bijstand (WWB) op 1 januari 2004 en het daardoor niet langer van
toepassing zijn van de Wet Boeten en Maatregelen en de Algemene
Bijstandswet, de bewaartermijn van twintig jaar niet meer zou
gelden.
Deze verandering van wetgeving heeft geen gevolgen voor de
bewaartermijn van cliëntdossiers: deze is en blijft 20 jaar. De
argumentatie daarvoor ligt onverkort in het Burgerlijk Wetboek
(art. 3:309 BW). Bij de samenstelling van de selectielijst 1996 is
deze termijn overgenomen.
De Archiefwet 1995 stelt dat vernietiging alleen mag
plaatsvinden op grond van een vastgestelde selectielijst en dat de
selectielijst de verplichting schept archiefbescheiden te bewaren
totdat de bewaartermijn is verstreken.
Dit impliceert dus dat de cliëntdossiers moeten worden afgesteld op
en ook pas mogen worden vernietigd ná een bewaartermijn van 20
jaar.
Dit betekend dat het bestand cliëntdossiers tot 2017 in omvang
zal toenemen en legt daarmee een fors beslag op de beschikbare
archiefruimte. Hierdoor kunnen gemeenten problemen krijgen met de
opslagcapaciteit.
Het opslag probleem is al onderkend in de Verzamelbrief
van De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 4
april 2003, kenmerk Intercom/2003/27992 (PDF 58 kB).
Een mogelijkheid om het bestand cliëntdossiers in omvang te beperken berust in art. 7 AW en artt. 6 & 8 van het AB, de bevoegdheid tot substitutie.
Standpunt Groene Hart Archiefinspectie
De inspectie heeft geen bezwaar tegen vervanging door middel
van substitutie, daar dit volgens de archiefwet is
toegestaan, mits de daarvoor geldende procedure wordt
gevolgd.
Een besluit om over te gaan tot een verkorting van de
bewaartermijn, zonder substitutie, gaat in tegen de wettelijke
regelgeving. De gemeenten dienen zich bewust te zijn van de
risico's die ze lopen. Ze dragen hiervoor zelf de
verantwoording.
Wanneer er toch gekozen wordt voor het afwijken van de bewaartermijn zonder substitutie zullen er in ieder geval de volgende overwegingen gemaakt moeten worden:
Dit besluit moet aan de betreffende archiefdienst kenbaar worden gemaakt, zodat dit meegenomen kan worden bij het accorderen van de jaarlijkse vernietigingslijst. De gemeentearchivaris moet toestemming geven om eerder te vernietigen dan op grond van de selectielijst is bepaald. Deze toestemming kan alleen worden gegeven als blijkt dat de gemeente een sluitende procedure heeft en deze zorgvuldig heeft toegepast.